NIEUWS            SCHATKAMER            WINKEL            HOME            FAQ           LINKS           OVER ONS         CONTACT

 

Boeken van Ewald Vervaet zijn te koop en te bestellen via alle boekwinkels
in Nederland!


Ook verkrijgbaar via bol.com:

Groeienderwijs
Groeienderwijs
Ewald Vervaet


  Naar school
Naar school
Ewald Vervaet

 

  
Het raadsel intelligentie
Het raadsel intelligentie
Ewald Vervaet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ZUIGELING- EN DREUMESWEEK
21 t/m 28 MAART 2004

 

Doordenkers over het kleine kind

 

door Ewald Vervaet

ontwikkelingspsycholoog

 

 

Een nieuwe lente, een nieuw geluid.

Een nieuw voorjaar is nauwelijks beter te beginnen dan met de eerste jaren van een mensenleven. De drie eerste levensjaren zijn beeldend te beschrijven als een toegroeien naar de psychologische geboorte van een kind. Die geboorte vindt tussen 31 en 36 maanden plaats als het identiteitsbesef ontstaat. De psychologische conceptie heeft al tussen 1 en 4 maanden na de biologische geboorte plaats gehad. Halverwege, zo tussen 15 en 18 maanden, is het kind een psychologisch embryo.
 

Van 21 t/m 28 maart 2004 lieten we u zeven momenten zien uit de tien fasen in de ontwikkeling van psychologische conceptie tot psychologische geboorte, aan de hand van zeven doordenkers over het kleine kind.
 

Hieronder vindt u een overzicht van alle doordenkers en antwoorden uit de lente van 2004

doordenker 21 maart
Met armen en benen ‘praten’

doordenker 22 maart

doordenker 23 maart

doordenker 24 maart

doordenker 25 maart

doordenker 26 maart

doordenker 27 maart

 

De Zuigeling- en dreumesweek is voor The Magical Madhouse samengesteld door Ewald Vervaet, schrijver van het boek Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3 (Amsterdam, Ambo, 2002).
 

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 


doordenker 21 maart

  • Met armen en benen ‘praten’

Ernst van 6 maanden heeft een minuut of tien om zich heen gekeken. Dan begint ie stemgeluid te maken dat meer dan vijf seconden aanhoudt: wat begint als een zachte a-klank, zwelt in sterkte en toonhoogte aan tot een harde en schrille i-klank die vervolgens weer afneemt tot de zachte a-klank waarmee ie begon. Wat opvalt is dat ie de eerste seconden niet alleen z’n stembanden aanspant maar ook de spieren van z’n armen en benen. Waarom doet ie dat?

 

antwoord op doordenker van 21 maart: Met armen en benen ‘praten’

 

Misschien denkt u dat Ernst z’n arm- en beenspieren aanspant omdat het hem nog veel fysieke inspanning vergt om stemgeluid te maken. Dat kan niet de reden zijn want als ie in het midden is van de klankboog die met een zachte a begint en via een harde i weer op een zachte a eindigt, dan verricht ie de meeste inspanning, namelijk tijdens de harde i – maar op dat moment zijn z’n armen en benen weer ontspannen.

De verklaring voor Ernsts kortstondige ‘praten’ met armen en benen is dat ie met 6 maanden nog niet weet waar zich z’n stem bevindt. Wat ie niet waarneemt, bestaat voor hem niet, precies zoals het nog ‘uit het oog, uit het hart’ is. Een klankboog begint wanneer ie z’n spieren wil gebruiken zodat ie ze allemaal aanspant, dus ook die van z’n stembanden, armen en benen. Op grond van z’n stemgeluid voelt ie onmiddellijk getril in z’n keel. Als ie dat een prettige gewaarwording vindt, zal ie doorgaan stemgeluid te maken, en wel in verhevigde mate om die prettige gewaarwording nog te versterken. Tevens laat ie z’n armen en benen ontspannen want die leveren in vergelijking met de trillers in z’n keel nauwelijks een prettige sensatie op.

Rond een maand of 8 houden de overtollige spieraanspanningen aan het begin van het maken van stemgeluid op. Dan weet het kind namelijk waar z’n stem zich bevindt en ook hoe ie die meteen kan laten klinken.

We maken even een zijsprong. In het algemeen zoekt een kind een voorwerp dat het binnen handbereik heeft zien verdwijnen, vanaf 8 maanden op de verdwijnplek terug. Dat gaat zelfs zo ver dat het kind een speeltje dat het twee keer links van hem onder een blauwe handdoek heeft zien gaan en daar ook twee keer met succes heeft teruggevonden, de derde keer daar weer zoekt, ook al heeft het dat speeltje toen rechts van hem onder een gele slab zien verdwijnen. Dat heet het vertrouwde-plek-verschijnsel: het speeltje zou eigenlijk altijd onder de blauwe handdoek liggen.

Voor de meeste relatief kleine voorwerpen gaat de vlieger van het vertrouwde-plek-verschijnsel natuurlijk niet op: Ernsts speelgoed, kleren en dergelijke liggen nu eens hier, dan weer daar. Zijn eigen lichaamsdelen zijn daar de enige uitzondering op: ten opzichte van Ernst zelf bevinden die zich steeds op dezelfde plaats aan z'n lichaam. Vandaar dat ie vanaf een maand of 8 z’n stem meteen terugvindt. En van die onmiddellijke stemvinding zal ie z’n leven lang plezier hebben.

 

Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragrafen 2.4, 4.3 en 4.4.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

doordenker 22 maart

  • Het eerste ‘mama’ en ‘papa’

Clara van 9 maanden heeft binnen enkele dagen voor het eerst van haar leven ‘mama’ en ‘papa’ gezegd. Haar ouders zijn apetrots! Terecht, want dit behoort zeker tot een nieuwe stap in de taalontwikkeling van hun dochter. Maar duidt zij met ‘mama’ en ‘papa’ ook haar ouders aan?

 

 

antwoord op doordenker van 22 maart: Het eerste ‘mama’ en ‘papa’

 

Dat Clara met 9 maanden ‘mama’ en ‘papa’ zegt, maakt deel uit van het regelmatige brabbelen dat in doorsnee rond acht maanden begint. Het kind maakt dan niet alleen gemakkelijk te maken klanken, maar herhaalt die ook een of meer keren: ‘amam’, ‘toto’, ‘dladladla’ en dus ook vaak (maar lang niet bij alle kinderen) ‘mama’ en/of ‘papa’.

Met ‘mama’ en ‘papa’ bedoelt Clara echter nog niet haar beide ouders in de zin van ‘moeder’ en ‘vader’, al is het wel mogelijk dat ze aan het zien van haar moeder al de klank ‘mama’ en aan het zien van haar vader al de klank ‘papa’ koppelt, precies zoals ze op andermans ‘bal’ altijd naar die ene rode bal met witte stippen kijkt. Echter, voor hetzelfde geld kijkt ze op andermans ‘mama’ ook naar de stoel waar haar moeder gewoonlijk op zit of naar moeders boodschappentas.

Toch zal Clara ‘mama’ en ‘papa’ pas vanaf een maand of 26 voor haar ouders en alleen voor hen gebruiken. Tussen 18 en 26 maanden duidt ze iedereen die haar verzorgt met ‘mama’ aan en noemt ze iedereen die een pet draagt 'papa' omdat haar vader ook een verwoed pettendrager is. Pas vanaf 26 maanden individualiseren kinderen zichzelf en anderen (zie ook het antwoord op de doordenker van 26 maart); tussen 22 en 26 maanden zien ze een individu als een exemplaar van een verzameling, bijvoorbeeld die van verzorgenden of van pettendragers. Maar dat 'exemplariseren' speelt bij Clara van 9 maanden dus in het geheel nog geen rol.

 

Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragrafen 4.3, 8.9 en 9.3.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

doordenker 23 maart

  • Leren lopen

Ward van 11 maanden loopt sinds kort: langs randen, aan andermans hand, een karretje voortduwend, enzovoort. We zeggen dat ie geleid kan lopen. Pas met 15 maanden loopt ie geheel los, dus zonder steunpunt(en) in de buitenwereld.

Hoe verhouden het geleide lopen en het losse lopen zich volgens u tot elkaar? Licht uw antwoord toe.

a. Geleid lopen en los lopen hebben niets met elkaar te maken.

b. In het geleide lopen oefent Ward zich in het losse lopen.

c. Het geleide lopen is een eigensoortige manier van bewegen, waaruit na enkele maanden het losse lopen voortkomt als een volgende, eveneens eigensoortige manier van bewegen.

 

 

antwoord op doordenker van 23 maart: Leren lopen

 

Antwoord c is juist. In het geleide lopen kan Ward bijvoorbeeld een dreigende val naar links onmiddellijk corrigeren maar naar rechts niet. Om zich te beveiligen tegen alle mogelijke vallen heeft ie daarom nog steun in de buitenwereld nodig. Zodra ie ook een dreigende val naar rechts onmiddellijk kan compenseren kan ie los lopen.


Ad a. Geleid en los lopen hebben gemeen met elkaar dat ze in de derde dimensie gebeuren, terwijl het kruipen, tijgeren en dergelijke van voordien zich in twee dimensies afspelen.


Ad b. Geleid lopen zou een oefenen zijn voor het losse lopen als Ward tussen 11 en 15 maanden al los zou kunnen lopen, zij het op een gebrekkige manier. Dat is echter niet het geval: het geleid lopende kind kan net zo min z'n evenwicht in alle richtingen bewaren als dat het
vier, vijf blokken op elkaar kan stapelen - daartoe moet het in de gaten kunnen houden dat een volgend blok het evenwicht van de reeds gestapelde blokken niet verstoort. Precies zo kan het los lopende kind wel een toren bouwen door blokken op elkaar te stapelen: los lopen en blokken stapelen hebben dezelfde psychologische structuur.

 

Zie verder E. Vervaet Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragrafen 5.4 en 6.3.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

doordenker 24 maart

  • Wie is dat kindje in de spiegel?

Al vanaf haar geboorte ziet Ireen zichzelf geregeld in een spiegel. Vanaf een maand of 8 glimlacht ze tegen het spiegelbeeld en geeft ze het kusjes. Dit zou op zelfherkenning kunnen duiden, maar is dat ook zo?

 

 

antwoord op doordenker van 24 maart: Wie is dat kindje in de spiegel?

 

Met 8 maanden herkent Ireen zich nog niet in de spiegel – we komen daarop terug.

Ireen herkent zich pas in een spiegel vanaf ongeveer 18 maanden. Vanaf 15 maanden zet haar moeder haar elke maand een uurtje met een stip van lippenstift op haar neus voor de spiegel die tegen een stoel leunt. De eerste drie maanden vertoont Ireen geen teken van verbazing over de stip op haar neus. Verder kijkt ze enkele keren achter de spiegel. Ze legt haar spiegelbeeld namelijk uit als een ander kind en ze vraagt zich af waar dat kind toch naartoe gegaan kan zijn telkens als het verdwijnt – en het verschijnt en verdwijnt als ze zelf aan de spiegel voorbijgaat.

Pas vanaf een maand of 18 verwondert Ireen zich over die stip op haar neus: ze probeert die weg te vegen of ze wijst erop, haar moeder verbaasd aankijkend. Ze beseft kortom dat het haar neus is die ze daar met stip in de spiegel ziet. De verklaring voor dit besef is dat ze vanaf 18 maanden in staat is tot mentale beelden. Een mentaal beeld treedt bijvoorbeeld op als Ireen haar vader, als bestuurder van een auto, in de keuken met een deksel imiteert: ze ziet hem nu niet autorijden en heeft dus een beeld van zijn chauffeursgedrag in haar hoofd. Eveneens met een mentaal beeld kan ze reconstrueren hoe ze er zelf ongeveer uitziet, ook al ziet ze zichzelf niet. Dat laatste is wel het geval als ze haar spiegelbeeld ziet. Omdat ze dan de neus met stip in de spiegel kan vergelijken met de stiploze neus van het mentale zelfbeeld, kan ze verbaasd zijn over die stip.

Kortom, als Ireen zich zelfs tussen 15 en 18 maanden niet in een spiegel herkent, hoeveel te minder moet dat dan maar niet met 8 maanden het geval zijn! Haar glimlach en kusjes duiden dus niet op zelfherkenning maar zijn bedoeld voor het andere kind waarvoor ze haar eigen spiegelbeeld houdt.

 

Zie verder E. Vervaet Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 7.3.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

doordenker 25 maart

  • Eeuwig heden

Steven van net 2 jaar speelt eerst met het knikkerspel dat ie voor z'n verjaardag heeft gekregen. Tien minuten later probeert ie een legpuzzel van vier stukjes te maken. U houdt het knikkerspel op en vraagt hem: 'Wie heeft hier net mee gespeeld?'. Hoe zal Steven reageren?

 

 

antwoord op doordenker van 25 maart: Eeuwig heden

 

Steven geeft geen antwoord op uw vraag. Hij zegt bijvoorbeeld niet 'Steven' en al helemaal niet 'Ik(ke)' - pas vanaf ongeveer 26 maanden gebruikt het kind persoonlijke voornaamwoorden. Nu, bij 24 maanden, reageert Steven alsof u heeft gevraagd of ie nog eens met het knikkerspel wil spelen: als ie daar zin in heeft, neemt ie het knikkerspel weer ter hand; als ie daar geen trek in heeft, zegt ie bijvoorbeeld 'Nee' en gaat ie met z'n legpuzzel verder.

Vanaf zo'n maand of 26 zal Steven 'Steven' of 'Ik(ke)' zeggen en doorgaan met legpuzzelen. De reden is dat ie met 24 maanden geen uitdrukkelijk tijdbesef heeft en bij wijze van spreken in een eeuwig heden leeft, terwijl ie tussen 26 en 31 maanden wel zo'n uitdrukkelijk tijdbesef heeft, namelijk van het recente verleden. Met 'Wie heeft hier net mee gespeeld?' vraagt u immers naar z'n recente verleden.

 

Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragrafen 8.5 en 9.1.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

doordenker 26 maart

  • Het plaatsen van damstenen

De vader van Lotte ziet voor z’n dochter een grootse toekomst als damster of als schaakster weggelegd. De dag na haar tweede verjaardag lijkt hem een geschikt moment om een eerste begin te maken. Hij wil eerst de opstelling van de damstenen op een dambord met haar doornemen. Hij doet voor hoe de zwarte damstenen moeten staan en plaatst vóór haar enkele witte en vraagt haar die op de witte velden te zetten. Hij merkt tot z’n schrik dat ze iets heel anders doet dan de witte stenen keurig elk op een wit vakje plaatsen. Wat doet ze, denkt u?

 

 

antwoord op doordenker van 26 maart: Het plaatsen van damstenen

 

Lotte van net 24 maanden legt de witte damstenen lukraak op het bord neer. Een enkele damsteen ligt keurig op een wit vakje, maar er liggen er evenveel op een zwart vlak en de meeste liggen niet eens binnen de vier lijnen van een vakje! We kunnen dus veilig aannemen dat die witte stenen op een wit vakje toevalstreffers zijn. Pas met een maand of 26 legt Lotte één steen keurig in één vakje. Weliswaar kan dat een wit of een zwart vakje zijn, maar ze heeft het een-op-een-beginsel kennelijk nu pas door. Het beste bewijs daarvoor is dat ze een steen die ondanks haar voorzichtigheid toch op een lijn tussen twee vakjes terechtkomt, naar het midden van het ene vakje verschuift.

Dat Lotte vanaf 26 maanden het een-op-een-beginsel onder de knie heeft, blijkt ook uit haar inkleuren van kleurplaten. Voordien kraste ze over het hele vel, geheel los van de voorstelling erop. Dat doet ze nu ook nog volop, maar af en toe kleurt ze – slordig en zeer onvolkomen – ook even in één vakje.

Verder begrijpen we nu ook waarom Lotte, net als Clara over wie we op 22 maart 2004 een doordenker hadden (zie het antwoord van 23 maart 2004), vanaf 26 maanden ‘mama’ alleen voor haar moeder reserveert en ‘papa’ alleen voor haar vader. Ze kan nu begrijpen dat ‘mama’ en ‘papa’ elk bij maar één enkel individu horen, oftewel op grond van haar begrip van het een-op-een-beginsel kan ze nu haar ouders individualiseren in plaats van dat ze hen opvat als exemplaren van verzamelingen als ‘verzorgenden’ en ‘pettendragers’.

 

Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragrafen 9.5.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

 

 

 

 

doordenker 27 maart

  • Het woord 'zelfde'

U legt drie afbeeldingen vóór Alex van 29 maanden, met daarop een walvis, een tijger en een arend. Van de arend heeft u een exacte kopie. U houdt die tweede arend beurtelings bij de walvis, de tijger en de eerste arend en vraagt Alex telkens: 'Zijn die hetzelfde?'. Hij antwoordt drie keer 'Ja'.

Drie maanden later herhaalt u de proef. Deze keer antwoordt Alex 'Nee', 'Nee' en 'Ja': alleen die twee arenden zijn voor hem 'hetzelfde'. Vervolgens maakt u met achttien damstenen de volgende twee figuren naast elkaar:

 


En opnieuw vraagt u: 'Zijn die hetzelfde?'.

Wat antwoordt Alex en hoe licht ie z'n antwoord desgevraagd toe? Waarom geeft ie dat antwoord en die toelichting? 

 

 

antwoord op doordenker van 27 maart: Het woord 'zelfde'

 

 

 

 

Alex antwoordt 'Ja': die figuren zouden hetzelfde zijn!?

U werpt voorzichtig tegen dat op de bovenste rij van beide figuren de eerste en de derde steen wit en dus hetzelfde zijn, maar dat de middelste in de linkerfiguur zwart is en in de rechterfiguur wit; u: 'Dat is toch niet hetzelfde?'. Alex heeft z'n woordje al klaar: 'Nee, die is zwart en die is ook zwart', terwijl ie in de linkerfiguur naar de bovenste zwarte steen wijst en in de rechterfiguur naar één van de vier zwarte damstenen op de tweede en derde rij.

Met andere woorden, Alex van 32 maanden heeft een andere opvatting van het woord 'zelfde' dan u en ik dat hebben. Voor hem zijn twee dingen al 'hetzelfde' als ze uit dezelfde elementen bestaan, terwijl volwassenen iets pas 'hetzelfde' vinden als die elementen dezelfde configuratie hebben.

 

Zie verder E. Vervaet, Groeienderwijs; psychologie van 0 tot 3, paragraaf 10.9.

 

Terug naar boven

 

 

 

 

Wilt u meteen meer weten over de inhoud van het boek

'Groeienderwijs, psychologie van 0 tot 3' van Dr. Ewald Vervaet? Klik dan hier!