NIEUWS            SCHATKAMER            WINKEL            HOME            FAQ           LINKS           OVER ONS         CONTACT

 

Boeken van Ewald Vervaet
zijn te koop en
te bestellen via alle boekwinkels
in Nederland!


Ook verkrijgbaar via bol.com:

Groeienderwijs
Groeienderwijs
Ewald Vervaet


  Naar school
Naar school
Ewald Vervaet


Het raadsel intelligentie
Het raadsel intelligentie
Ewald Vervaet

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een kleuter is geen schoolkind

Het raadsel intelligentie

 

Een studiemiddag naar aanleiding van
het verschijnen van het boek "Het raadsel intelligentie"
van ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet

 

Verslag van Tura Gerards


 

De inhoud van dit verslag mag enkel overgenomen worden met vermelding van de auteur Tura Gerards




 

Tot de nok toe gevuld was het "Theater van het Woord"
in de Amsterdamse Centrale Bibliotheek
op vrijdagmiddag 23 april 2010,
voor de studiemiddag "Een kleuter is geen schoolkind",
naar aanleiding van het verschijnen van het boek
"Het raadsel intelligentie" van ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet.
 

Uitgeverij Kosmos bleek een fantastisch organisator
en bood zo'n 230 vrouwen en 30 mannen de kans op
nieuwe inzichten en bevestiging van oude inzichten.
Vo
orzitter Anneke Noorduyn, werkzaam voor Woortblind,
de vereniging voor mensen met dyslexie,

begeleidde dit bijzondere evenement vakkundig en helder.
Het jonge kind stond centraal.
En niet zo maar een jong kind, maar een kleuter die al dan niet klaar was om schools onderwijs te kunnen volgen.

Oftewel: wanneer is een kind in staat om schools te leren?
En is de beslissing daarover het kernpunt van goed onderwijs in Nederland?

 

 

Inhoud:


 

 

 

Inleiding
 

Ontwikkelingspsycholoog Ewald Vervaet is de grondlegger van de Circuit-theorie* die o.a. stelt dat de ontwikkeling van elk kind in opeenvolgende fasen verloopt, waarbij geen enkele fase overgeslagen kan worden en versnellingen niet mogelijk zijn. In zijn inleiding droeg hij deze studiemiddag meteen op aan alle KLOSSERS** die al jaren roepen dat er steeds minder respect en aandacht is voor de specifieke kennis noodzakelijk voor de begeleiding van elk jong kind.
Vervaet: "Jullie hadden gelijk!"


Terug naar inhoud


 

 

Ewald Vervaet - "Van kleuter naar jong schoolkind"

De heer Vervaet "zet" meteen drie verschillende jonge kinderen "naast elkaar" en vergelijkt hen in hun ontwikkeling met behulp van de fase waarin ze zich bevinden:

  • het kind in fase 12 (leeftijd tussen 3;9 en 4;6 ******), nu maar even de "peuter" genoemd

  • de kleuter: het kind in fase 13 (leeftijd tussen 4;6 en 6;6)

  • het jonge schoolkind: en het kind in fase 14 (leeftijd tussen 6;6 en 8;6).
     

In elke fase beheerst een kind een aantal zaken wel en een aantal zaken (nog) niet. Kindgericht werken betekent volgens Vervaet dat de leidster zich in haar begeleiding richt op de fase waarin het kind zich op dat moment bevindt. Er zijn vijf concrete gebieden waarin dat bij een kind duidelijk kan worden:

  1. ordening (bijv. hoe ordent een kind tien verschillende strookjes, van allerkleinst naar allergrootst?)

  2. ruimtebesef (hoe tekent een kind een schuinstaande fles met vloeibare inhoud na?)

  3. schrijven

  4. lezen

  5. tellen en rekenen (kan een kind van 1 tot 20 tellen, kan een kind van 20 terug naar 1 tellen?).

 

Elke vaardigheid in elk van die gebieden is het gevolg van zowel de neurologische ontwikkeling in het kinderbrein als de psychologische ontwikkeling, én van de wisselwerking daartussen. Neurologische en psychologische groei prikkelen en stimuleren elkaar!

 

De eerste conclusie uit zijn onderzoek: wanneer het onderwijs zich richt op de fasen waarin elk kind zich bevindt, zullen de resultaten makkelijker en sneller volgen.

Met betrekking tot het lezen betekent lesgeven aan fase-13-kinderen dat je auditieve analyses kunt doen: bijv. wat klinkt als kat? Laat ze maar raden... Wat, bad, rat, patat, mat. Lesgeven aan fase-14-kinderen betekent dat ze daadwerkelijk lettervormen kunnen herkennen en kunnen gaan lezen.

Hoe kun je nou weten waar een kind aan toe is, m.a.w. in welke fase het zich bevindt?

Je zou 1 keer per maand aan je kind de vraag kunnen stellen of het een simpel woord kan lezen dat opgebouwd is uit een paar letters die voorkomen in de eigen naam (of die van een vriendje). Dus met de letters uit Oskar ... sok, rok? Uit Timo mot en Tom? Uit Karin kan, kin en nar?

Met betrekking tot het schrijven betekent lesgeven aan fase-13-kinderen dat je met lussen en vormen kunt tekenen. Lesgeven aan fase-14-kinderen betekent dat ze daadwerkelijk kunnen gaan schrijven.
 

De tweede conclusie uit zijn onderzoek: wisselwerking is de belangrijkste factor in de groei van intelligentie. Hoe kan wisselwerking, het samenspel tussen kind en omgeving, een rol spelen in onderwijs? Vervaet: "Laat het kind zelf ontdekken en laat het kind samen ontdekken". Bijvoorbeeld: de e, n, a, t, i, r, o, d, s, l, g, v en de h zijn de 13 meest voorkomende letters van ons alfabet. Vraag aan een kind bijvoorbeeld: welke letter staat voor het teken < in r<<s en h<k? Zo kan het kind spelenderwijs andere letters ontdekken, alleen en met elkaar.

 

Voor het onderwijs is het belangrijk om een synthese tot stand te brengen tussen de verschillende onderwijsstromingen. Met als doel het kindgericht werken zo optimaal mogelijk te maken door bij de fase van elk kind aan te sluiten. Voor stromingen als het Montessori-onderwijs zal die overschakeling niet al te drastisch zijn. Voor andere, zoals het ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) en diens methodieken, geeft Vervaet twee handreikingen. "Elke fase is in feite synoniem aan nieuwe verschijnselen, nieuwe ontdekkingen". En er zijn veel aanknopingspunten voor het bestaan van fasen en methodieken kunnen daar makkelijk op worden afgestemd.


Terug naar inhoud


 

 

Hanneke Bakker - "Kleuters onder druk"

Mevrouw Hanneke Bakker is KLOSSER** en staat momenteel voor groep 6. Maar de kleutergroep is en blijft haar favoriete groep. Zij begon op een kleuterschool in 1970 in de Amsterdamse Jordaan met 42 kleuters in een lokaal. De belangrijkste opdracht toen was het vergroten van de woordenschat. Dat ging bijvoorbeeld d.m.v. "lesjes in drieën". Nadat er buiten takjes, blaadjes, eikeltjes en kastanjes waren gevonden, werden de namen ervan als volgt geoefend:

1. de leidster wijst iets aan, bijvoorbeeld de kastanje, en spreekt het bijbehorende woord uit: kastanje;

2. de leidster noemt het woord "kastanje" en de kinderen mogen het desbetreffende voorwerp aanwijzen;

3. de leidster wijst de kastanje aan en kinderen mogen het woord noemen.

 

Belangrijk was destijds dat de taal van de kleuterleidster doorspekt was met de woorden die kinderen moesten leren. Ook verhoudingen waren belangrijk in de oude kleuterschool: staat iets op de tafel, of onder de tafel? Staat het ernaast, ervoor, erachter? Dat iets kon een knuffel zijn, maar ook het kind zelf: op de tafel en onder de tafel! Soms ging de juf zelf! Lachen! Spelenderwijs ging alles.
Puzzels en de bouwhoek gaven een aanzet tot ruimtelijk inzicht: links, rechts, boven, onder, hoog, laag etc.

 

In 1985 werd de wet op het basisonderwijs ingevoerd: de kleuterschool en de lagere school verdwenen en werden samengevoegd tot het basisonderwijs. De kleuters gingen nu naar groep 1 en 2 en alle kleuterleidsters moesten een volgens Bakker "vernederende" cursus volgen die lagereschooldocenten niet dienden af te leggen. "We zijn bevoegd maar niet bekwaam!" zo kwam dat over op de kleutersleidsters van toen. Die "bijscholing" bleek ook bedoeld om een gelijke betaling mogelijk te maken.
 

In groep 1 en 2 werden de eerste werkbladen ingevoerd, voorlopers van de reken- en taalmethodes. Die methodes sloten volgens Bakker niet aan bij wat een kleuter is en hoe een kleuter leert. "Het lukt wel, ze werkt wel, maar het beklijft niet." De kinderen onthielden het niet. Een kleuter is een associatief wezen en dat gaat niet samen met lineaire onderwijsmethodes. In het beste geval werden de werkbladen door de docenten gebruikt als bronnenboek.

 

Tegenwoordig zijn er ook nog toetsen voor kleuters bijgekomen.

En toetsen is eenzelfde soort verhaal, want de ontwikkeling van kleuters gaat in sprongen: de ene week kan een kleuter iets helemaal niet en de volgende week ineens helemaal wel! Het adequaat toetsen wordt verder bemoeilijkt doordat kleuters erg stemmingsgevoelig zijn en zich stuurs kunnen gedragen. En dat via die toetsen ook nog eens de scholen beoordeeld worden op hun functioneren blijft vreemd.
 

Ook heeft volgens mevrouw Bakker de VVE - de voor- en vroegschoolse educatie, bedoeld voor kinderen met een taalachterstand - had geen meetbaar effect.

 

Toch wil Bakker de oude kleuterschool niet terug. Welk pleit ze voor kleine groepjes en veel (goede) mensen voor de begeleiding van kinderen in de groep. De doorgaande ontwikkelingslijn vindt ze belangrijk. Daarbij wenst ze speciale aandacht voor kleuters, een afwisselende benadering van elk kind op diens eigen niveau en passende uitdagingen.

Ideaal zou zijn om leerprocessen te laten aansluiten bij de ervaringen en expressies van kinderen, (m.a.w. wanneer de kinderen zelf iets aangeven) i.p.v. planmatig een leerproces af te dwingen. Zelfstandig werken is eveneens belangrijk in de ideale school die Bakker voorstaat. En uiteraard het ontwikkelen van de flinke woordenschat en een goede opleiding speciaal voor kleuterbegeleiders met veel stages.
Bakker zou graag haar kennis doorgeven aan de jongere generatie kleuterbegeleiders.
 

Momenteel staat mevrouw Bakker al een paar jaar voor groep 6.

Op mijn vraag of en hoe zij aan de kinderen uit haar groep 6 merkt dat die als kleuters "onder druk hebben gestaan" antwoordt zij dat dat te zien aan bijvoorbeeld het gebrekkige handschrift van veel kinderen (de onontwikkelde fijne motoriek) en aan een beperkt ruimtelijk besef.


Terug naar inhoud


 

 

Tamara de Vos - "Kleuters: genoeg aandacht op de PABO's?"

Mevrouw Tamara de Vos is docent pedagogiek en onderwijskunde aan de Pabo Hogeschool Rotterdam. Bovendien is ze daar stagebegeleider en studieloopbaancoach. Is er genoeg aandacht op de PABO's voor kleuters?" Het antwoord op die vraag wordt meteen gegeven: NEE. Maar...
Dat komt ook doordat het curriculum te vol is; er wordt van alles een beetje gedoceerd en niets diepgaand genoeg. En alle kinderen van 4 jaar tot 12 jaar worden toch wel als een homogene groep beschouwd en behandeld.

 

Hoe ziet die opleiding op de PABO er vandaag de dag uit?
De propaedeuse bestaat uit een half jaar studie m.b.t. het oude kind (OK) en stagedagen in groep 5/6, en uit een half jaar studie m.b.t. het jonge kind (JK) en stagedagen in groep 1/2.

De hoofdfase beslaat anderhalf jaar en bestaat uit een half jaar studie JK met stage in groep 3/4, een half jaar studie OK met stage in groep 7/8, en een half jaar met een keuze tussen OK en JK.

De afstudeerfase beslaat eveneens anderhalf jaar en bestaat uit 1 jaar uitstroomprofiel met keuze voor óf groep 1-4 óf groep 5-8 en een half jaar leraar in opleiding (lio) (wederom kiezend voor OK of JK).

 

De Vos is tevens lid van het docentennetwerk/specialisten het jonge Kind (www.netwerkjongekind.nl). Dat heeft een competentieprofiel opgesteld voor mensen die met jonge kinderen (willen) werken.

De Vos benadrukt dat "eerst echt kijken en luisteren" een van de allerbelangrijkste zaken die weer opnieuw aandacht moet krijgen in de opleidingen. En dat leerlingen binnen de PABO-opleiding eerder moeten kiezen of ze willen specialiseren in het begeleiden van jonge of van oude kinderen.

 

De Vos beaamt na een vraag uit de zaal dat de overgang van groep 2 naar 3 nog steeds erg moeilijk is en dat dat zeker geldt voor kinderen die nog geen 6 jaar zijn (de "herfstkinderen" geboren tussen 1 oktober en 1 januari) en die niet een jaartje extra in groep 2 mogen blijven hangen.


Terug naar inhoud


 

 

Jan Jacob van Dijk - "Laat een kleuter kleuter zijn"

Jan Jacob van Dijk is CDA-politicus en hoogleraar Christelijk Sociaal Denken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Sinds 2002 zit hij in de Tweede Kamer en sinds 2007 houdt hij zich bezig met het thema onderwijs en treedt daarin namens het CDA op als eerste woordvoerder.
 

Centraal in zijn betoog staat het onderwijstoezicht, de inspectie, kwaliteitsbewaking en kwaliteitsverbetering. Want de Tweede Kamer breekt zich voornamelijk het hoofd over hoe de kwaliteit van onderwijs toch te meten. Wat bepaalt of een school zwak of zeer zwak is? Wat willen we en wat kunnen we meten? Moet er een peutertoets ingevoerd worden? Het CDA is daarop tegen. Een aantal zaken gaan Van Dijk persoonlijk aan het hart, o.a. de situatie dat herfstkinderen te vroeg naar groep 3 doorgestuurd worden. Ook de vraag hoe het onderwijs leuk te houden voor docenten heeft zijn prioriteit. Hij pleit ook voor maatregelen die moeten zorgen dat er meer mannen in het primair onderwijs gaan werken en dat er meer specialisatie in de PABO komt.

 

Terug naar inhoud


 

 

Eerste exemplaar van "Het raadsel intelligentie" overhandigd aan Kete Kervezee

Na de pauze wordt het eerste exemplaar van "Het raadsel intelligentie" door Ewald Vervaet aangeboden aan mevrouw Kete Kervezee, sinds 2008 voorzitter van de PO-Raad, de brancheorganisatie van het primair onderwijs. Van 2001 tot 2007 was Kervezee inspecteur-generaal van het Onderwijs en daarna werkte zij als inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Vervaet vertelt van een experiment in 40 scholen in Enschede waarbij kleuters 16 letters moeten kennen voordat ze naar groep 3 gaan. Er wordt bij toetsing uitstekend gescoord. Doch Vervaet plaatst een kritische kanttekening, na zich geïnformeerd te hebben bij de directie van een betrokken school: 350 uur bleek het volgens zijn berekeningen te kosten om een kleuter 16 letters aan te leren! Terwijl er een paar jaar later voor een fase-14-kind slechts 40 uur nodig zijn om er een heel alfabet "in te krijgen".
Dus dringt Vervaet bij mevrouw Kervezee aan - in het belang van het kind, in het belang van de docent en in het belang van het onderwijs in het algemeen: "Meten? JA! Maar in termen van FASEN." En niet meten met behulp van testen waarbij gemiddelden en afwijkingen van gemiddelden de dienst uitmaken.

 

Na het boek in ontvangst te hebben genomen geeft toe mevrouw Kervezee dat er de laatste decennia in het algemeen te weinig bestuurlijke aandacht is geweest voor het primair onderwijs. Zij pleit voor goed onderwijs voor ieder kind en aandacht voor het ambachtelijke van het docentschap. Ze hoopt op een toetsing waarmee bij elk kind gecheckt kan worden of het stappen heeft gezet. Ze hoopt op een verdieping van de kennis en de ambachtelijkheid zonder dat dat ten koste zal gaan van het overzicht. Verkokering moet voorkomen worden.


Terug naar inhoud


 

 

Discussie met de zaal

Moet de docent nu al die vaardigheden in zich hebben? Nee, dat is onhaalbaar. Samenwerken is hier het devies volgens Jan Jacob Van Dijk.

 

Hoe onthoudt een kind iets? Want "het beklijft niet..."

Mevrouw Kervezee stelt dat het leerproces drie sturende factoren heeft:

40% wordt bepaald door de intelligentie, 40% wordt bepaald door de ouders plus de sociale omgeving en slechts 20% wordt bepaald door de school de onderwijsvorm. Zij bepleit een betere samenwerking tussen school en ouders. Ook hier wisselwerking...
Ewald Vervaet en Hanneke Bakker bepleitten wederom vooral de blik te richten op de fase waarin het kind zich bevindt.
Voorzitter Noorduyn voegt nog het gevaar van "overvoeren" toe, waardoor kinderen zich kunnen afkeren.
 

Uit de zaal: kinderen kunnen tegenwoordig hun jas nog niet zelf aantrekken, en niet hun eigen billen vegen, als ze naar groep 1 gaan. Dat leek vroeger anders te zijn.
Volgens Vervaet is er niets aan de hand: billen afvegen hoort in de categorie fietsen zonder zijwieltjes en zelfstandig kunnen zwemmen zonder drijfmiddelen. Het zijn alle fase-13-vaardigheden.
 

Vervaet pleit ervoor om de schoolse leeftijd minimaal 4 jaar+5 maanden te laten zijn en het liefst gewoon 5 jaar. "Je kunt beter een half jaar te laat zijn dan een half jaar te vroeg!"
Hij oogst applaus van de zaal.
 

Er volgt een discussie over de Cito-toets en of dat een valide meetinstrument is.

De kwaliteit van het basisonderwijs in België wordt vergeleken met die in Nederland en levert stevige en uiteenlopende standpunten op. Volgens Vervaet gebeurt het "opjagen" van kinderen in Vlaanderen minder.

 

Ook vanuit de zaal: het kind is pas in balans wanneer het leert hoe te leren, wanneer het plezier heeft in leren en het al doende leert zelfredzaam te worden.
 

Verhalend ontwerpen, wat willen de kinderen zelf, laat ze zelf beslissen wat ze willen leren, laats ons toetsen en meten door observatie, dat is wat een andere deelneemster graag meer zou zien in het onderwijs.
 

Helemaal vuurwerk krijgt de discussie tussen de heren Van Dijk en Vervaet wanneer het meten weer onderwerp wordt. Vervaet spreekt van een georganiseerd wantrouwen (vanuit de politiek?) en pleit ervoor om vooral te kijken naar het proces dat elk kind doorloopt. Van Dijk stelt dat het meten juist absoluut noodzakelijk is omdat er enkel druk en wantrouwen is vanuit het universitair onderwijs richting het voorgezet onderwijs, én vanuit het voorgezet onderwijs richting het basisonderwijs!

Kete Kervezee pleit ervoor om het advies van scholen veel zwaarder te laten wegen dan de resultaten van de Cito-toets. Ook moeten het presteren van het kind en het presteren van de school niet meer aan elkaar gekoppeld worden.
 

Vanuit de zaal wordt geschreeuwd om aandacht voor het werk van Frea Jansen-Vos, over haar visie op de basisontwikkeling en spel als leidend motief voor het kind om te leren.

Tamara de Vos beaamt dat het leren van jonge kinderen altijd gebeurt middels spel.
Zelf ontdekken-spelen-leren, Vervaet herhaalt het belang van wisselwerking.


Terug naar inhoud

 

 

 

Slotwoord Ewald Vervaet

An het eind van deze enerverende middag dankt Ewald Vervaet allen voor de grote opkomst. Het onderwerp leeft en er moet een vervolg komen. Hij hoopt dat de snijlijn tussen JK en OK bij de PABO's gaat plaatsvinden (d.w.z. een eerder specialisatie van de aankomende leerkracht in ofwel het jonge kind ofwel het oude kind) en hoopt dat de politiek alle PABO's vrij zal laten in hun keuze waar die snijlijn precies komt te liggen tussen. Tamara de Vos voegt er aan toe dat een kleine overlapping (bijv. een keuze tussen groep 1-5 en groep 4-8) ook tot de mogelijkheden kan behoren.

 

Na afloop was er een gezellige borrel waarin nog heel wat discussies oplaaiden.


 

Amsterdam, 24 april 2010

© Tura G. Gerards / The Magical Madhouse


 

 

Terug naar inhoud



 

* (Circuittheorie. Voor een uitgebreide behandeling van deze visie op de ontwikkeling van een kind zie: Vervaet, Ewald. Groeienderwijs. Psychologie van 0 tot 3. Amsterdam: uitgeverij Ambo, 2002.)

** (KLOS = Kleuter Leidsters Opleiding School, die samen met Pedagogische Academie in 1985 opging in de PABO)

 

 

*****

3;9 is een schrijfwijze voor de leeftijd 3 jaar en 9 maanden

4;6 betekent dus 4 jaar en 6 maanden.

De fasegrenzen, uitgedrukt in leeftijden, moeten ruim worden opgevat: elk kind moet zich ontwikkelen in die volgorde van fase. een fase kan niet worden overgeslagen.

 

 

 

Lees ook: Naar school, psychologie van 3 tot 8

Lees ook: Groeienderwijs, psychologie van 0 tot 3

Lees ook: Schrijven, lezen en dyslexie

Een ander verslag van deze studiemiddag vindt u op: http://stichtinghistos.nl/hristudieverslag.htm