![]() |
![]() |
![]() |
|
|
||
|
|
||
![]() |
NIEUWS SCHATKAMER WINKEL HOME FAQ LINKS OVER ONS CONTACT | |
|
Boeken van Ewald Vervaet
|
Een kleuter is geen schoolkind Het raadsel intelligentie
Een studiemiddag naar aanleiding van
Verslag van Tura Gerards
De inhoud van dit verslag mag enkel overgenomen worden met vermelding van de auteur Tura Gerards
Tot de nok toe gevuld was
het "Theater van het Woord" Uitgeverij Kosmos bleek
een fantastisch organisator de vereniging voor mensen met dyslexie, begeleidde dit bijzondere evenement vakkundig en helder. Het jonge kind stond centraal. En niet zo maar een jong kind, maar een kleuter die al dan niet klaar was om schools onderwijs te kunnen volgen. Oftewel: wanneer is een kind in staat om schools te leren? En is de beslissing daarover het kernpunt van goed onderwijs in Nederland?
Ontwikkelingspsycholoog
Ewald Vervaet is de grondlegger van de Circuit-theorie* die
o.a. stelt dat de
ontwikkeling van elk kind in opeenvolgende fasen verloopt, waarbij geen enkele fase
overgeslagen kan worden en versnellingen niet mogelijk zijn. In zijn
inleiding droeg hij deze studiemiddag meteen op aan alle KLOSSERS** die al
jaren roepen dat er steeds minder respect en aandacht is voor de specifieke
kennis noodzakelijk voor de begeleiding van elk jong kind.
Ewald Vervaet - "Van kleuter naar jong schoolkind" De heer Vervaet "zet" meteen drie verschillende jonge kinderen "naast elkaar" en vergelijkt hen in hun ontwikkeling met behulp van de fase waarin ze zich bevinden:
In elke fase beheerst een kind een aantal zaken wel en een aantal zaken (nog) niet. Kindgericht werken betekent volgens Vervaet dat de leidster zich in haar begeleiding richt op de fase waarin het kind zich op dat moment bevindt. Er zijn vijf concrete gebieden waarin dat bij een kind duidelijk kan worden:
Elke vaardigheid in elk van die gebieden is het gevolg van zowel de neurologische ontwikkeling in het kinderbrein als de psychologische ontwikkeling, én van de wisselwerking daartussen. Neurologische en psychologische groei prikkelen en stimuleren elkaar!
De eerste conclusie uit zijn onderzoek: wanneer het onderwijs zich richt op de fasen waarin elk kind zich bevindt, zullen de resultaten makkelijker en sneller volgen. Met betrekking tot het lezen betekent lesgeven aan fase-13-kinderen dat je auditieve analyses kunt doen: bijv. wat klinkt als kat? Laat ze maar raden... Wat, bad, rat, patat, mat. Lesgeven aan fase-14-kinderen betekent dat ze daadwerkelijk lettervormen kunnen herkennen en kunnen gaan lezen. Hoe kun je nou weten waar een kind aan toe is, m.a.w. in welke fase het zich bevindt? Je zou 1 keer per maand aan je kind de vraag kunnen stellen of het een simpel woord kan lezen dat opgebouwd is uit een paar letters die voorkomen in de eigen naam (of die van een vriendje). Dus met de letters uit Oskar ... sok, rok? Uit Timo mot en Tom? Uit Karin kan, kin en nar? Met betrekking tot het
schrijven betekent lesgeven aan fase-13-kinderen dat je met lussen en
vormen kunt tekenen. Lesgeven aan fase-14-kinderen betekent dat ze
daadwerkelijk kunnen gaan schrijven. De tweede conclusie uit zijn onderzoek: wisselwerking is de belangrijkste factor in de groei van intelligentie. Hoe kan wisselwerking, het samenspel tussen kind en omgeving, een rol spelen in onderwijs? Vervaet: "Laat het kind zelf ontdekken en laat het kind samen ontdekken". Bijvoorbeeld: de e, n, a, t, i, r, o, d, s, l, g, v en de h zijn de 13 meest voorkomende letters van ons alfabet. Vraag aan een kind bijvoorbeeld: welke letter staat voor het teken < in r<<s en h<k? Zo kan het kind spelenderwijs andere letters ontdekken, alleen en met elkaar.
Voor het onderwijs is het belangrijk om een synthese tot stand te brengen tussen de verschillende onderwijsstromingen. Met als doel het kindgericht werken zo optimaal mogelijk te maken door bij de fase van elk kind aan te sluiten. Voor stromingen als het Montessori-onderwijs zal die overschakeling niet al te drastisch zijn. Voor andere, zoals het ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO) en diens methodieken, geeft Vervaet twee handreikingen. "Elke fase is in feite synoniem aan nieuwe verschijnselen, nieuwe ontdekkingen". En er zijn veel aanknopingspunten voor het bestaan van fasen en methodieken kunnen daar makkelijk op worden afgestemd.
Hanneke Bakker - "Kleuters onder druk" Mevrouw Hanneke Bakker is KLOSSER** en staat momenteel voor groep 6. Maar de kleutergroep is en blijft haar favoriete groep. Zij begon op een kleuterschool in 1970 in de Amsterdamse Jordaan met 42 kleuters in een lokaal. De belangrijkste opdracht toen was het vergroten van de woordenschat. Dat ging bijvoorbeeld d.m.v. "lesjes in drieën". Nadat er buiten takjes, blaadjes, eikeltjes en kastanjes waren gevonden, werden de namen ervan als volgt geoefend: 1. de leidster wijst iets aan, bijvoorbeeld de kastanje, en spreekt het bijbehorende woord uit: kastanje; 2. de leidster noemt het woord "kastanje" en de kinderen mogen het desbetreffende voorwerp aanwijzen; 3. de leidster wijst de kastanje aan en kinderen mogen het woord noemen.
Belangrijk was destijds
dat de taal van de kleuterleidster doorspekt was met de woorden die kinderen
moesten leren. Ook verhoudingen waren belangrijk in de oude kleuterschool:
staat iets op de tafel, of onder de tafel? Staat het ernaast, ervoor,
erachter? Dat iets kon een knuffel zijn, maar ook het kind zelf: op de tafel
en onder de tafel! Soms ging de juf zelf! Lachen! Spelenderwijs ging
alles.
In 1985 werd de wet op
het basisonderwijs ingevoerd: de kleuterschool en de lagere school verdwenen
en werden samengevoegd tot het basisonderwijs. De kleuters gingen nu naar
groep 1 en 2 en alle kleuterleidsters moesten een volgens Bakker
"vernederende" cursus volgen die lagereschooldocenten niet dienden af te
leggen. "We zijn bevoegd maar niet bekwaam!" zo kwam dat over op de
kleutersleidsters van toen. Die "bijscholing" bleek ook bedoeld om een
gelijke betaling mogelijk te maken. In groep 1 en 2 werden de eerste werkbladen ingevoerd, voorlopers van de reken- en taalmethodes. Die methodes sloten volgens Bakker niet aan bij wat een kleuter is en hoe een kleuter leert. "Het lukt wel, ze werkt wel, maar het beklijft niet." De kinderen onthielden het niet. Een kleuter is een associatief wezen en dat gaat niet samen met lineaire onderwijsmethodes. In het beste geval werden de werkbladen door de docenten gebruikt als bronnenboek.
Tegenwoordig zijn er ook nog toetsen voor kleuters bijgekomen. En toetsen is eenzelfde
soort verhaal, want de ontwikkeling van kleuters gaat in sprongen: de ene
week kan een kleuter iets helemaal niet en de volgende week ineens helemaal
wel! Het adequaat toetsen wordt verder bemoeilijkt doordat kleuters erg
stemmingsgevoelig zijn en zich stuurs kunnen gedragen. En dat via die
toetsen ook nog eens de scholen beoordeeld worden op hun functioneren blijft
vreemd. Ook heeft volgens mevrouw Bakker de VVE - de voor- en vroegschoolse educatie, bedoeld voor kinderen met een taalachterstand - had geen meetbaar effect.
Toch wil Bakker de oude kleuterschool niet terug. Welk pleit ze voor kleine groepjes en veel (goede) mensen voor de begeleiding van kinderen in de groep. De doorgaande ontwikkelingslijn vindt ze belangrijk. Daarbij wenst ze speciale aandacht voor kleuters, een afwisselende benadering van elk kind op diens eigen niveau en passende uitdagingen. Ideaal zou zijn om
leerprocessen te laten aansluiten bij de ervaringen en expressies van
kinderen, (m.a.w. wanneer de kinderen zelf iets aangeven) i.p.v. planmatig
een leerproces af te dwingen. Zelfstandig werken is eveneens belangrijk in
de ideale school die Bakker voorstaat. En uiteraard het ontwikkelen van de
flinke woordenschat en een goede opleiding speciaal voor kleuterbegeleiders
met veel stages. Momenteel staat mevrouw Bakker al een paar jaar voor groep 6. Op mijn vraag of en hoe zij aan de kinderen uit haar groep 6 merkt dat die als kleuters "onder druk hebben gestaan" antwoordt zij dat dat te zien aan bijvoorbeeld het gebrekkige handschrift van veel kinderen (de onontwikkelde fijne motoriek) en aan een beperkt ruimtelijk besef.
Tamara de Vos - "Kleuters: genoeg aandacht op de PABO's?" Mevrouw Tamara de Vos
is docent pedagogiek en onderwijskunde aan de Pabo Hogeschool Rotterdam.
Bovendien is ze daar stagebegeleider en studieloopbaancoach. Is er genoeg
aandacht op de PABO's voor kleuters?" Het antwoord op die vraag wordt meteen
gegeven: NEE. Maar...
Hoe
ziet die opleiding op de PABO er vandaag de dag uit? De hoofdfase beslaat anderhalf jaar en bestaat uit een half jaar studie JK met stage in groep 3/4, een half jaar studie OK met stage in groep 7/8, en een half jaar met een keuze tussen OK en JK. De afstudeerfase beslaat eveneens anderhalf jaar en bestaat uit 1 jaar uitstroomprofiel met keuze voor óf groep 1-4 óf groep 5-8 en een half jaar leraar in opleiding (lio) (wederom kiezend voor OK of JK).
De Vos is tevens lid van het docentennetwerk/specialisten het jonge Kind (www.netwerkjongekind.nl). Dat heeft een competentieprofiel opgesteld voor mensen die met jonge kinderen (willen) werken. De Vos benadrukt dat "eerst echt kijken en luisteren" een van de allerbelangrijkste zaken die weer opnieuw aandacht moet krijgen in de opleidingen. En dat leerlingen binnen de PABO-opleiding eerder moeten kiezen of ze willen specialiseren in het begeleiden van jonge of van oude kinderen.
De Vos beaamt na een vraag uit de zaal dat de overgang van groep 2 naar 3 nog steeds erg moeilijk is en dat dat zeker geldt voor kinderen die nog geen 6 jaar zijn (de "herfstkinderen" geboren tussen 1 oktober en 1 januari) en die niet een jaartje extra in groep 2 mogen blijven hangen.
Jan Jacob van Dijk - "Laat een kleuter kleuter zijn" Jan Jacob van Dijk is CDA-politicus en h oogleraar Christelijk Sociaal Denken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Sinds 2002 zit hij in de Tweede Kamer en sinds 2007 houdt hij zich bezig met het thema onderwijs en treedt daarin namens het CDA op als eerste woordvoerder.Centraal in zijn betoog staat het onderwijstoezicht, de inspectie, kwaliteitsbewaking en kwaliteitsverbetering. Want de Tweede Kamer breekt zich voornamelijk het hoofd over hoe de kwaliteit van onderwijs toch te meten. Wat bepaalt of een school zwak of zeer zwak is? Wat willen we en wat kunnen we meten? Moet er een peutertoets ingevoerd worden? Het CDA is daarop tegen. Een aantal zaken gaan Van Dijk persoonlijk aan het hart, o.a. de situatie dat herfstkinderen te vroeg naar groep 3 doorgestuurd worden. Ook de vraag hoe het onderwijs leuk te houden voor docenten heeft zijn prioriteit. Hij pleit ook voor maatregelen die moeten zorgen dat er meer mannen in het primair onderwijs gaan werken en dat er meer specialisatie in de PABO komt.
Eerste exemplaar van "Het raadsel intelligentie" overhandigd aan Kete Kervezee Na de pauze wordt het eerste exemplaar van "Het raadsel intelligentie" door Ewald Vervaet aangeboden aan mevrouw Kete Kervezee, sinds 2008 voorzitter van de PO-Raad, de brancheorganisatie van het primair onderwijs. Van 2001 tot 2007 was Kervezee inspecteur-generaal van het Onderwijs en daarna werkte zij als inspecteur-generaal van de Inspectie Werk en Inkomen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Vervaet vertelt van een
experiment in 40 scholen in Enschede waarbij kleuters 16 letters moeten
kennen voordat ze naar groep 3 gaan. Er wordt bij toetsing uitstekend
gescoord. Doch Vervaet plaatst een kritische kanttekening, na zich
geïnformeerd te hebben bij de directie van een betrokken school: 350 uur
bleek het volgens zijn berekeningen te kosten om een kleuter 16 letters aan
te leren! Terwijl er een paar jaar later voor een fase-14-kind slechts 40
uur nodig zijn om er een heel alfabet "in te krijgen".
Na het boek in ontvangst te hebben genomen geeft toe mevrouw Kervezee dat er de laatste decennia in het algemeen te weinig bestuurlijke aandacht is geweest voor het primair onderwijs. Zij pleit voor goed onderwijs voor ieder kind en aandacht voor het ambachtelijke van het docentschap. Ze hoopt op een toetsing waarmee bij elk kind gecheckt kan worden of het stappen heeft gezet. Ze hoopt op een verdieping van de kennis en de ambachtelijkheid zonder dat dat ten koste zal gaan van het overzicht. Verkokering moet voorkomen worden.
Moet de docent nu al die vaardigheden in zich hebben? Nee, dat is onhaalbaar. Samenwerken is hier het devies volgens Jan Jacob Van Dijk.
Hoe onthoudt een kind iets? Want "het beklijft niet..." Mevrouw Kervezee stelt dat het leerproces drie sturende factoren heeft: 40% wordt bepaald door
de intelligentie, 40% wordt bepaald door de ouders plus de sociale omgeving
en slechts 20% wordt bepaald door de school de onderwijsvorm. Zij bepleit
een betere samenwerking tussen school en ouders. Ook hier wisselwerking...
Uit de zaal: kinderen
kunnen tegenwoordig hun jas nog niet zelf aantrekken, en niet hun eigen
billen vegen, als ze naar groep 1 gaan. Dat leek vroeger anders te zijn. Vervaet pleit ervoor om
de schoolse leeftijd minimaal 4 jaar+5 maanden te laten zijn en het liefst
gewoon 5 jaar. "Je kunt beter een half jaar te laat zijn dan een half
jaar te vroeg!" Er volgt een discussie
over de Cito-toets en of dat een valide meetinstrument is.
Ook vanuit de zaal: het
kind is pas in balans wanneer het leert hoe te leren, wanneer het plezier
heeft in leren en het al doende leert zelfredzaam te worden. Verhalend ontwerpen,
wat willen de kinderen zelf, laat ze zelf beslissen wat ze willen leren,
laats ons toetsen en meten door observatie, dat is wat een andere
deelneemster graag meer zou zien in het onderwijs. Helemaal vuurwerk krijgt de discussie tussen de heren Van Dijk en Vervaet wanneer het meten weer onderwerp wordt. Vervaet spreekt van een georganiseerd wantrouwen (vanuit de politiek?) en pleit ervoor om vooral te kijken naar het proces dat elk kind doorloopt. Van Dijk stelt dat het meten juist absoluut noodzakelijk is omdat er enkel druk en wantrouwen is vanuit het universitair onderwijs richting het voorgezet onderwijs, én vanuit het voorgezet onderwijs richting het basisonderwijs! Kete Kervezee pleit
ervoor om het advies van scholen veel zwaarder te laten wegen dan de
resultaten van de Cito-toets. Ook moeten het presteren van het kind en het
presteren van de school niet meer aan elkaar gekoppeld worden. Vanuit de zaal wordt geschreeuwd om aandacht voor het werk van Frea Jansen-Vos, over haar visie op de basisontwikkeling en spel als leidend motief voor het kind om te leren. Tamara de Vos beaamt
dat het leren van jonge kinderen altijd gebeurt middels spel.
An het eind van deze enerverende middag dankt Ewald Vervaet allen voor de grote opkomst. Het onderwerp leeft en er moet een vervolg komen. Hij hoopt dat de snijlijn tussen JK en OK bij de PABO's gaat plaatsvinden (d.w.z. een eerder specialisatie van de aankomende leerkracht in ofwel het jonge kind ofwel het oude kind) en hoopt dat de politiek alle PABO's vrij zal laten in hun keuze waar die snijlijn precies komt te liggen tussen. Tamara de Vos voegt er aan toe dat een kleine overlapping (bijv. een keuze tussen groep 1-5 en groep 4-8) ook tot de mogelijkheden kan behoren.
Na afloop was er een gezellige borrel waarin nog heel wat discussies oplaaiden.
Amsterdam, 24 april 2010 © Tura G. Gerards / The Magical Madhouse
* (C ircuittheorie. Voor een uitgebreide behandeling van deze visie op de ontwikkeling van een kind zie: Vervaet, Ewald. Groeienderwijs. Psychologie van 0 tot 3. Amsterdam: uitgeverij Ambo, 2002.)** (KLOS = Kleuter Leidsters Opleiding School, die samen met Pedagogische Academie in 1985 opging in de PABO)
3;9 is een schrijfwijze voor de leeftijd 3 jaar en 9 maanden 4;6 betekent dus 4 jaar en 6 maanden. De fasegrenzen, uitgedrukt in leeftijden, moeten ruim worden opgevat: elk kind moet zich ontwikkelen in die volgorde van fase. een fase kan niet worden overgeslagen.
Lees ook: Naar school, psychologie van 3 tot 8 Lees ook: Groeienderwijs, psychologie van 0 tot 3
Lees ook: Schrijven, lezen en dyslexie
|
|