NIEUWS            SCHATKAMER            WINKEL            HOME            FAQ           LINKS           OVER ONS         CONTACT

 

Boeken van Ewald Vervaet
zijn te koop en
te bestellen via alle boekwinkels
in Nederland!


Ook verkrijgbaar via bol.com:

Groeienderwijs
Groeienderwijs
Ewald Vervaet


  Naar school
Naar school
Ewald Vervaet


Het raadsel intelligentie
Het raadsel intelligentie
Ewald Vervaet

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

GROEIENDERWIJS

Psychologie van 0 tot 3
 

          

 cover 4e en 5e druk               cover 1e t/m 3e druk

 

 

van Dr. Ewald Vervaet 

ontwikkelingspsycholoog

 

(Uitgeverij Ambo 2002)

ISBN10: 9026317646 | ISBN13: 9789026317644

 

 

 

 

Boekverslag en -bespreking door Tura G. Gerards

 

De samenvatting binnen dit verslag is geautoriseerd door Ewald Vervaet.
©
het geheel of in gedeelten overnemen en publiceren van deze teksten in andere media alleen na toestemming van de auteur

 

 

 

 

De Psychologische ontwikkeling
van elk kind van 0 tot 3 jaar

 

"Ik heb de indruk dat mijn onderzoek naar het heel kleine kind
me jong van geest heeft gehouden.
Ik hoop daar met dit boek iets van over te brengen op de lezer."

 

Deze uitspraak van Ewald Vervaet in zijnboek Groeienderwijs,
psychologie van 0 tot 3
is nog gemakkelijk in te nemen.

 

Over een stelling als "Je kunt in principe pas blokken tot een torentje stapelen wanneer je begint met lopen" moeten we al een beetje nadenken.


Maar met 'regels en verbieden', een van de hete hangijzers in elke opvoeding, wordt het pas echt interessant:
"Het is in principe niet mogelijk om het kind
jonger dan 31 maanden iets te verbieden."

 

 

INHOUD
 

Tabel A De basistabel

Tabel B 10 fasen en 3 intelligentie-vormen
Tabel C Overzicht van de ontwikkeling in zelfervaring in de tien fasen

Tabel D Overzicht van de ontwikkeling in zelfkennis in de tien fasen

Tabel E Overzicht van diverse ontwikkelingen in de tien fasen met in de laatste kolom enkele relevante proefjes

Tabel F Overzicht van diverse proefjes en hun toepasbaarheid in de tien fasen

Tabel G Het verband tussen de tien psychologische ontwikkelingsfasen en de Circuit-theorie van Ewald Vervaet.

 

Inleiding

Hoe ging Vervaet te werk?

Wat maakt dit boek "Groeienderwijs" zo nieuw?

De Circuittheorie van Vervaet

Verantwoording van de schrijver van dit verslag

 

Hoofdstuk 1 Algemeen overzicht

 

Hoofdstuk 2 De psychologische ontwikkeling in tien fasen
 

Fase I - passief contact    ROND DE BIOLOGISCHE GEBOORTE

(gemiddeld bij leeftijd van 0 tot 1 maand).

Fase II - afgestemdheid   DE PSYCHOLOGISCHE CONCEPTIE

(gemiddeld bij leeftijd van 1 tot 4 maanden)

Fase III - fysiek contact   FYSIEK CONTACT

(gemiddeld bij leeftijd van 4 tot 8 maanden)

Fase IV - regelmaat   REGELMAAT

(gemiddeld bij leeftijd van 8 tot 12 maanden)

Fase V - aandachtscontact   LEREN ZONDER AANRAKEN

(gemiddeld bij leeftijd van 12 tot 15 maanden)

Fase VI - verbindingen   HET PSYCHOLOGISCHE EMBRYO

(gemiddeld bij leeftijd van 15 tot 18 maanden)

Fase VII - mentale beelden   DE WOORDENSCHATEXPLOSIE

(gemiddeld bij leeftijd van 18 tot 22 maanden)

Fase VIII- verzamelingen   DE EERSTE VERZAMELINGEN

(gemiddeld bij leeftijd van 22 tot 26 maanden)

Fase IX - representeren   DE EERSTE GRAMMATICAAL JUISTE ZINNEN

(gemiddeld bij leeftijd van 26 tot 31 maanden)

Fase X - coördinaties   DE PSYCHOLOGISCHE GEBOORTE

(gemiddeld bij leeftijd van 31 tot 36 maanden)


 

Hoofdstuk 3 Een overzicht in tabelvorm van de groei in zelfervaring en zelfkennis in de tien fasen, en van andere bijzonderheden; overzicht van de relevante proefjes in de tien fasen

 

Hoofdstuk 4 Vier interessante aspecten binnen de psychologische ontwikkeling van het kind

A: Centraal in de opvoeding: hechting versus scheidingsangst

B: Centraal in de opvoeding: zelfvertrouwen versus faalangst

C: Neuronale ontwikkeling versus psychologische ontwikkeling

D: Regels in acht houden, verboden en geboden

 

Hoofdstuk 5 De Circuittheorie en de gehanteerde onderzoeksmethode

 

Conclusie





 

Inleiding

 

Dr. Ewald Vervaet is geboren in Zeeland in 1949. Vanaf 1968 studeert hij wis- en natuurkunde aan de VU in Amsterdam en in 1977 studeert hij daar af als kernfysicus. In 1976 begint hij met de studie psychologie, eveneens aan de VU. In 1981 studeert hij af als klinisch psycholoog. In 1986 bereikt hij zijn doctorstatus door te promoveren aan de UvA op Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer.

 

Toch ziet Vervaet zichzelf meer als (ontwikkelings)psycholoog dan als natuurkundige.

Hij ontdekt dat in vrijwel alle bekende onderzoeken op het gebied van psychologische ontwikkeling bij kleine kinderen de periode tussen 1,5 en 3 jaar weinig of geen aandacht krijgt. Gebeurt er in die tijd dan niets dat van belang is?

Jean Piaget bijvoorbeeld, de Zwitserse kinderpsycholoog die leefde van 1896 tot 1980, onderzocht niet één lange periode, maar twee kortere: hij hield bij de kleintjes op tussen 1,5 en 2 jaar en vervolgde zijn onderzoek met de kleuters vanaf 4,5 tot 5 jaar, tot aan de leeftijd van 12 jaar. Daartussen zat dus een gat van ongeveer 3 jaar. Maar ook latere onderzoekers en schrijvers van bekende voorlichtende boeken (bijvoorbeeld 'Oei, ik groei' en 'Baby- en kleuterverzorging') behandelen deze periode tussen 1,5 en 3 jaar in het geheel niet of zeer summier.

 

In een e-mail op 5 februari 2004 vertelt Vervaet: "Toen m'n onderzoek met kinderen tussen 1,5 en 3 jaar meer bleek op te leveren dan ik er in het begin van had durven dromen, besloot ik een poging te doen die kloof in Piagets gehele werk te overbruggen. Ook dat is me beter gelukt dan ik ooit had durven dromen of hopen."

 

In dit boek noemt Vervaet die periode in het kinderleven "de wondere jaren":
"De psychologische ontwikkeling in de eerste drie levensjaren is natuurlijk slechts een begin, maar toch zijn die wonderlijke jaren van het allergrootste belang voor de latere ontwikkeling. Het kind verwerft dan over zichzelf en over zijn omgeving basale kennis waarvan het de rest van zijn leven plezier heeft."

 

Net als kinderpsycholoog Jean Piaget, hanteerde Vervaet voor zijn onderzoek een van de 'oudste, ambachtelijke' wetenschapsmethoden. Zie voor een precieze definitie daarvan hoofdstuk 5: de Circuittheorie en de gehanteerde onderzoeksmethode.

 

Hoe ging Vervaet te werk?

Vervaets onderzoek en de verwerking ervan vergde iets meer dan tien jaar. Hij volgde voor de periode tot een jaar of drie en drie maanden 28 kinderen en bezocht hen om de zes weken. Na de derde verjaardag zag hij de meeste van deze kinderen een poosje om de 3 of 4 maanden - het ging daarbij om ongeveer 14 eenlingen en 4 tweelingen. Met die 22 kinderen hield hij tussen hun vierde verjaardag tot kort na hun zevende verjaardag elk half jaar een onderzoekssessie.

Volgens Vervaet duren de fasen voor de derde verjaardag gemiddeld 3, 4 of 5 maanden, terwijl de fasen in de psychologische ontwikkeling ná de derde verjaardag gemiddeld meer dan 1 jaar duren.

 

In zijn poging het inzicht in de ontwikkeling van een kind van 0 tot 3 jaar op een hoger niveau te brengen, richtte Vervaet zijn pijlen op 5 thema's. Dat zijn:

  • ruimte- en tijdbesef

  • taalverwerving

  • zelfkennis

  • zelfervaring

  • sociale intelligentie

Om alle verschijnselen in de ontwikkeling van een kind van 0 tot 3 jaar binnen de genoemde vijf thema's volledig weer te geven, poneert Vervaet 10 fasen, waarin het kind telkens nieuwe inzichten en bijbehorende handelingen vertoont. In elke fase ontstaan nieuwe psychologische vermogens. Geen enkel kind kan een fase overslaan en de volgorde van de fasen staat vast. Op een nieuw terrein functioneert het kind eerst "egocentrisch" en pas in een later stadium gesocialiseerd (ook wel gedecentreerd genoemd). De tijdsduur van elke fase is per uniek kind verschillend. De duur van elke fase, hier gegeven in maanden, is een gemiddelde (zie voor de vele mogelijkheden in variatie een eigen onderzoek van www.ouders.nl)

 

Met zijn kennis van de kinderpsychologie en de resultaten van zijn eigen onderzoek antwoordt Vervaet op de vraag wat een zinvolle opvoeding inhoudt, principieel het volgende: "In ontwikkelingspsychologisch opzicht bestaat zinvol opvoeden uit aansluiten bij en gebruikmaken van wat het kind gezien zijn fase kan, en aanvullen op wat het in die fase niet kan."

 

Wat maakt dit boek "Groeienderwijs" zo nieuw?

Dat een kind psychologisch geboren wordt in zijn eerste drie levensjaren, is een gedachte die gemeengoed is onder ontwikkelingspsychologen en pedagogen. Wat maakt dit boek van Vervaet dan zo nieuw? Volgens de schrijver zelf zijn dat de volgende 3 punten:

  1. De meeste boeken over het jonge kind besteden geen aandacht aan de periode tussen anderhalf en drie jaar. "Groeienderwijs" doet dat wel, én met gloednieuw onderzoek.

  2. Uit het onderzoek, verricht voor "Groeienderwijs", blijkt dat alle aspecten van de psychologische ontwikkeling langs eenzelfde ontwikkelingslijn groeien.
    Met betrekking tot de taalontwikkeling heeft de onderzoeker ervoor gekozen die ontwikkeling niet los van de rest te bekijken. Allereerst heeft hij oog voor de ontwikkeling van het ruimtebesef en het tijdbesef, aansluitend daarop voor de taalontwikkeling die daarmee verband houdt.

  3. Met betrekking tot de theorie van de psychologische ontwikkeling komt Vervaet met 10 unieke fasen tot de leeftijd van 3 jaar (in aansluiting op de 6-fasen-theorie van de Zwitserse kinderpsycholoog Jean Piaget. Diens theorie gaat echter slechts over de eerste twee kinderjaren.)

Vervaet deed via zijn gedetailleerde onderzoek een aantal nieuwe vondsten in, zoals:

  • vanaf een maand of acht 'vindt' het kind zijn stem;

  • het hoe en waarvan van het al dan niet plaatjes kijken rond de eerste verjaardag;

  • het verschil tussen egocentrisch en sociaal wijzen rond een maand of vijftien;

  • de ontwikkeling van 'eeuwig heden' via 'recent verleden' naar 'nabije toekomst' in het derde levensjaar;

  • de redenen waarom verboden en geboden pas zin hebben vanaf 2,5 jaar (en hoe men voordien langs een omweg hetzelfde kan bereiken).

De Circuittheorie van Vervaet

De ontwikkeling van een klein kind is een ingewikkeld proces dat met het verder groeien alleen maar complexer wordt, alleen al door alle onderlinge samenhang(en) tussen ruimte- en tijdbesef, sociale intelligentie, taalontwikkeling en zelfkennis. Het boek "Groeienderwijs, psychologie van 0 tot 3" verrast doordat het deze complexe kwesties en de onderlinge samenhang helder en prettig leesbaar weergeeft. In hoofdstuk 12 van het boek presenteert Vervaet het geheel van zijn bevindingen in een flexibele, wetenschappelijke vorm: de Circuittheorie.

 

Verantwoording van de schrijver van dit verslag

Middels de onderstaande hoofdstukken wil ik u een inzicht bieden in de psychologische ontwikkeling van een kind, en in de 10 fasen zoals die in Vervaets boek worden gepresenteerd.

U zult onder andere een korte (niet altijd volledige) samenvatting van elke fase aantreffen.

Om u snel een overzicht te geven van het geheel, heb ik er bovendien voor gekozen om, met medewerking van Ewald Vervaet zelf, een aantal zaken in tabelvorm te presenteren.

De Circuittheorie, die Ewald Vervaet uit zijn onderzoekgegevens heeft geformuleerd, zal ik grotendeels buiten beschouwing laten (Zie voor een summiere bespreking hoofdstuk 5 van dit verslag en Tabel G).

 

Wanneer ik ergens interessante inzichten toevoeg die niet expliciet op die manier in "Groeienderwijs" beschreven staan, worden ze vermeld als een N.B., en wel in deze groene kleur en cursief gedrukt.

 

 

Terug naar inhoud

 

 

Hoofdstuk 1

Algemeen overzicht


 

 


Tabel A:

De basistabel

Langs de verticale as staan de 10 fasen aangeduid met elk hun trefwoord en een Romeins cijfer. Kleine cijfers langs de verticale as staan voor de levensduur in maanden. De cijfers 0, 1, 4, 8, 12, 15, 18, 22, 26, 31 en 36 geven het aantal maanden weer waarop een bepaalde fase (gemiddeld) overgaat in de volgende.

 

 

  • In de fasen met oneven nummer, Fase I, III, V, VII en IX (de grijze horizontale balken in Tabel A), verwerft het kind fundamenteel nieuwe vermogens. Die staan echter los van elkaar en het kind betrekt ze louter op zichzelf.
    (Bijvoorbeeld: in Fase V wijst het kind naar iets enkel en alleen omdat het zijn of haar interesse heeft, en niet om anderen erop te attenderen! Als je voor het kind in deze fase naar iets wijst, kijkt het kind naar je hand en niet naar het aangewezene!)
     

  • In de fasen met het even nummer, Fase II, IV, VI, VIII en X  (de witte horizontale balken in Tabel A), bouwt het kind de nieuwe vermogens van de vorige fase zodanig uit dat het die vermogens zowel op elkaar als op zijn sociale omgeving betrekt.
    (Bijvoorbeeld: in Fase VI wijst het kind naar dingen om anderen daar attent op te maken en begrijpt het hun wijzen eveneens, wat het in Fase V geen van beide deed!)
     

  • De overgang van de ene naar de andere fase kan een week in beslag nemen, zoals in de overgang van het geleide lopen naar het losse lopen, maar duurt meestal langer, zoals in de overgang van 'Max hebbe' naar 'ik heb(ben)'.

  • De fasen voor de derde verjaardag duren gemiddeld 3, 4 of 5 maanden.
    De fasen in de psychologische ontwikkeling ná de derde verjaardag duren gemiddeld meer dan 1 jaar.

     

  • Psychologische conceptie en psychologische geboorte
    Tot ongeveer 1 maand na de geboorte verkeert de zuigeling in een zodanige 'vegetatieve' toestand, dat er van psychologie in feite geen sprake kan zijn. Maar in gemiddeld 4 weken verandert er een heleboel en die reflexmatige reacties in het kind worden langzaam maar zeker afgestemd op het aanbod van prikkels uit de buitenwereld.
    De psychologische conceptie op 1 maand is dan ook niet alleen een afscheid van de biologische, vegetatieve fase van na de geboorte, maar vooral de start van steeds verdergaande actieve interactie met de omgeving en aldus een groeiende intelligentie.
    De psychologische geboorte na 31 maanden kenmerkt zich door het feit dat het kind zichzelf en anderen vanaf dat moment als een psychologische eenheid "in de tijd" kan ervaren, een besef ongeveer als:
    'wat ik nu ben, was ik gisteren ook en zal ik ook straks nog zijn, ook al verandert alles om me heen...' .
     

Terug naar inhoud

 

 

 

 

Hoofdstuk 2

De psychologische ontwikkeling
in tien fasen.

 

 

Fase I - passief contact    ROND DE BIOLOGISCHE GEBOORTE

 

(gemiddeld bij leeftijd van 0 tot 1 maand)

 

Tot 1 maand heeft de nieuwe mens geen zelfkennis en zelfervaring. Hij heeft geen besef van ruimte en tijd en leidt een vegetatief bestaan, uitsluitend gericht op behoeftenbevrediging. Hij heeft wel ogen, oren, handen, benen en een stem die een belangrijke rol gaan spelen. De zintuigen werken elk solo, zonder onderlinge afgestemdheid, zonder actieve interactie met de omgeving. In de handjes van de baby vinden knijpreflexen plaats (motorische reflexen), zijn oogjes zien wel maar ongericht en alles vliegt eraan voorbij (zintuiglijke reacties). Loensen is een normaal verschijnsel. De oortjes zijn al iets verder ontwikkeld omdat het kind in de baarmoeder al geluiden heeft opgevangen. Ofschoon dit kleine mensenkind al intens tevreden gesteld kan worden met borstvoeding, inbakeren en gewiegd worden, is het in feite nog geen psychologisch wezen omdat het zich in geen enkele mate bewust is van zijn omgeving.

Biologisch bepaalde, reflexmatige klanken en huilen zijn de voorlopers van de klankontwikkeling.

Terug naar inhoud

 

 

Fase II - afgestemdheid   DE PSYCHOLOGISCHE CONCEPTIE

 

(gemiddeld bij leeftijd van 1 tot 4 maanden)

 

Na 1 maand worden de afzonderlijke reacties van de zintuigen en de afzonderlijke motorische reflexen afgestemd op elkaar en op impulsen uit de omgeving (precies in deze volgorde! Zie voor het hoe en waarom van deze volgorde hoofdstuk 4 C van dit verslag). Het handje van de baby blijft in moeders vinger knijpen, in plaats van los te laten na reflexmatig knijpen. Het kind leert nu langzaam de ogen gericht houden op iets dat visueel interessant is, een opvallend stuk touw bijvoorbeeld. Oren en nekspieren worden al op elkaar afgestemd; het kind probeert een rammelende sleutelbos te volgen. Hoewel er dus een mens ontstaat die een eerste interactie met de omgeving aangaat, is dit wezen qua zelfervaring in een stadium als zijnde "ondergedompeld in werkingen en taferelen".

 

Deze fase van afstemming wordt de 'psychologische conceptie' genoemd: precies zoals in de biologische conceptie een zaadje en een eitje met elkaar samengaan, zo gaan in Fase II een sensorische reactie en een motorische reflex - allebei puur biologisch van aard - met elkaar samen.

 

In deze fase wordt het huilen - in plaats van louter biologisch en reflexmatig zoals in Fase I - ook psychologisch van aard. In de klankontwikkeling valt het vocaliseren van klinkers op, en van half-klinkers als -j- en -w-. Dit alles wordt nog volledig bepaald door de biologische beperkingen van de keelholte, de tong, enz.

 

Terug naar inhoud
 

 

Fase III - fysiek contact   FYSIEK CONTACT

 

(gemiddeld bij leeftijd van 4 tot 8 maanden)

 

Vanaf 4 maanden beginnen de afzonderlijke modaliteiten (zintuiglijk zoals kijken en motorisch zoals knijpen) onderling goed samen te werken; het kind en diens hersencellen groeien, en daardoor ook de aantrekkingskracht van de omgeving, of beter gezegd: het kind gaat zijn of haar omgeving - die voordien een vrijwel amorf geheel van prikkels was - meer structureren en dus ook aantrekkelijker vinden. (Zie hoofdstuk 4 van dit verslag voor de samenhang tussen hersencelgroei en psychologische groei.)

 

(In een e-mail d.d. 220204 voegt Vervaet aan de werking van zintuigen en motoriek toe:

"... ik vind het een van de grootste vondsten van Piaget, dat vanaf ongeveer 1 maand de zintuiglijke en de motorische kant van ons functioneren als onscheidbaar worden opgevat. Dat en alleen dat kan bijvoorbeeld verklaren waarom een peuter en een kleuter in een en dezelfde kartonnen doos het ene moment een boot zien (namelijk als ze erin gaan zitten en roeibewegingen maken) en het andere een kookpot (namelijk door erin te roeren met een stok): sensorisch verandert er niets aan die doos, maar hij wordt, nee, is een boot of pot vanwege de handelingen die het kind ermee verricht...")

 

Het kind is nu actief op de buitenwereld gericht: door samenwerken van oog en hand/arm leert het iets opzettelijk te grijpen en vast te houden. Maar met de arm op weg naar een interessante rammelaar, grijpt het kind toch naar (bijvoorbeeld) een onderzetter die snel tussen kind en rammelaar wordt ingelegd. Die onderzetter krijgt nu alle aandacht en er wordt flink op gesabbeld! Ook als iets leuks plotseling verdwijnt, wordt er niet meer naar gezocht. Weg is weg en niet-bestaand!

In deze fase leert het kind met steun zitten, kruipen is er echter nog niet bij.

 

Kan het kind zichzelf in deze fase al "als een eenheid ervaren"? Nee. Het kind "ervaart" zichzelf hooguit als "iets" dat actief betrokken is in diezelfde werkingen en taferelen, waarin het in de volgende fase nog "ondergedompeld" was. Schoppend en zwaaiend met armen en benen probeert het handelingen van volwassenen herhaald te krijgen (magisch beďnvloedingspogingen).

In deze fase ontstaan ook de intenties om het zichzelf prettiger te maken of te trachten een eind te maken aan iets onprettigs: het kind kan een speen dat uit zijn of haar mond is gevallen oprapen en weer in z'n mond doen; wanneer de neus of de mond van het kind door iemand wordt afgeveegd, kan het kind proberen om de hand van die persoon weg te duwen.

 

Op het gebied van klankontwikkeling valt het egocentrisch brabbelen op: het met opzet geluid voortbrengen, in de vorm van diffuse en onvaste klankbogen. Met het begin van een klankproductie beweegt het hele lichaam nog intens mee: het kind "weet" nog niet precies welke spieren nou voor dat stemgeluid zorgen en welke niet.

 

Terug naar inhoud

 

 

Fase IV - regelmaat   REGELMAAT

 

(gemiddeld bij leeftijd van 8 tot 12 maanden)

 

De spieren en zintuigen werken na 8 maanden goed samen. Het kind vormt zich "praktische" noties over de omgeving; echt "begrijpen" is er nog niet bij maar de hersenen worden klaar voor meer en meer impressies. En de controle over het lichaam en de beweging groeit in principe in eenzelfde tempo door: het kind leert nu los zitten en kruipen. Het ontdekt dat je door gerichte handeling in de omgeving dingen gedaan kunt krijgen: bijvoorbeeld door moeders hand in een bepaalde richting te duwen. Met de arm op weg naar de interessante rammelaar uit de vorige fase, schuift het kind de onderzetter, die snel tussen kind en rammelaar wordt ingelegd, meteen opzij! Dit is een eerste praktische toepassing van het groeiende besef van ruimte ('voor' en 'achter') én het groeiende besef van tijd ('eerst dit pakken, dan dat'). Verdwijnt iets of iemand, dan wordt het teruggezocht. Het kind gaat zich hechten aan vertrouwde personen, maar -daarmee gepaard gaande- ontstaat angst wanneer het vertrouwde verdwijnt en niet lijkt terug te komen. In deze fase van regelmaatherkenning is een nieuwkomer plotseling een vreemdeling. De tijd is dus rijp voor een favoriet voorwerp, een constante veilige haven, de 'kroel' genoemd: bijvoorbeeld een spuwlap, een knuffel, de moederborst.

 

Doordat regelmaat herkend wordt, wordt de eerste humor geboren. Er ontstaat (gezamenlijke) beleving van lol en humor, zoals kiekeboe-spelletjes. Humor is immers gebaseerd op het doorbreken van een vast verband, en sommige verbanden zoals een verdwijnende en weer verschijnende moeder snapt een kind nu.

 

Het spreken is een regelmatig en aangepast brabbelen. Het diffuse gebrabbel van de vorige fase neemt gestaag af, we horen nu meer en meer klanken met een duidelijk begin en einde, mama, papa, tata enz. We horen lettergrepen! Bij het maken van geluid beweegt het kind ook niet meer zo druk met zijn hele lichaam; het heeft nu "gevonden waar zijn stem zit"!

Het kind hoort en herkent nu ook vaste klanken als -bal-. Het reageert en kijkt naar de bal wanneer een volwassene "bal" zegt, maar het doet dat ook wanneer deze het woord "ballade" uitspreekt.

 

Klanken worden nagebootst voorzover die klanken in het eigen klankrepertoire voorkomen; het daarbuiten treden gebeurt pas in Fase V.

 

Terug naar inhoud

 

 

Fase V - aandachtscontact   LEREN ZONDER AANRAKEN

 

(gemiddeld bij leeftijd van 12 tot 15 maanden)

 

Vooral de ontdekking dat je dingen in de omgeving gedaan kunt krijgen zonder fysiek contact is in deze fase belangrijk: het kind ontdekt het contact maken met één punt in de omgeving via aandacht. Het begint te wijzen, ook al doet het dit om het wijzen zelf (het zogenaamde egocentrisch wijzen) en niet om iemand op iets te attenderen, zoals in de volgende fase. Contact via aandacht bewerkstelligt ook dat het kind nu in staat is om -behalve boeken te besabbelen en te verscheuren- de plaatjes te waarderen die in die boeken staan (een kleine verhaallijn volgen kan het kind pas vanaf Fase IX)!

 

Een tweede belangrijke ontdekking in deze fase is het variëren op regelmaat: trommelde het kind in Fase IV nog geregeld op een emmer, nu slaat het op alles wat in de buurt is en het doet dat bovendien nu eens hard, en daarna weer zacht. De neiging tot variëren op regelmaat is eveneens zichtbaar in de drang om (ondersteund) te gaan staan en (geleid) te gaan lopen, en in het verlangen om kastjes te openen, gordijnen open te schuiven en deksels op te tillen.

 

In het spreken vallen twee zaken op:
a. door het plezier in het variëren op regelmaat wordt "geëxperimenteerd" op de persoonlijke klankvermogens uit de vorige fase; het
regelmatig en aangepast brabbelen groeit uit tot gevarieerd brabbelen.

b. door aandachtscontact en het variëren met mondstanden en dergelijke is het kind in staat om klanken na te bootsen die nieuw zijn ten opzichte van zijn biologisch bepaalde eigen klankrepertoire'. Zeg 'woef' of 'waf' bij de aanwezigheid van een hond en je kind begrijpt 'hond' en zal het dier ook 'woef' of 'waf' gaan noemen. (Dit "woef" is een gebonden taalteken. Een plaatje in een prentenboek mag voor deze leeftijd het onderschrift "WOEF" dragen. (Pas in Fase VII-VIII mag "woef" bij dat prentje verdwijnen voor de ondertitel "hond".) Het doet zich overigens ook voor dat kinderen zelf - zonder dat anderen het voorzeggen - een klank nabootsen, zoals de tweelingjongetjes die een fluitketel met een hoog 'Uuuuuu' aanduiden of het kind dat een hoed 'Goegelegoegelegoe' noemt nadat het een hoed van een trap heeft zien rollen.

N.B. Ook de volwassenen bereiken hiermee een nieuw stadium in hun groei als opvoeder. Zij kunnen nu niet alleen hun stem gebruiken om communicatie aan te gaan, hun simpele aanduiding van zaken in de omgeving wordt door het jonge kind opgepakt en in zijn eenvoudigste vorm begrepen!

 

Leuk in deze en de volgende fase is de 'Eendjesproef': hierbij verdwijnt het kleine mooie eendje onder een blauwe doek, met daaronder onopvallend nog een kleinere rode doek. In feite verstop je voor de ogen van het kind dat gele eendje onder een blauwe doek én een rode doek. Het kind komt naar voren, tilt de blauwe doek op en ziet vervolgens een rode doek, geen eendje. In deze fase zal het kind dan stoppen met zoeken. Het beschikt nog niet over 'Objectpermanentie'.

 

Terug naar inhoud

 

 

Fase VI - verbindingen   HET PSYCHOLOGISCHE EMBRYO

 

(gemiddeld bij leeftijd van 15 tot 18 maanden)

 

Al groeiende wordt het kind steeds wijzer.

Kon het kind in Fase V slechts aandacht hebben voor één punt in zijn omgeving (bijv. wijzen), vanaf ongeveer 15 maanden kan het twee van die punten in de directe omgeving aandacht geven en met elkaar verbinden. Het wijst nu iets aan (punt 1), ook met de bedoeling een ander (punt 2) daarop te attenderen (sociaal wijzen). Bovendien begrijpt het nu wat anderen aanwijzen!

 

Op het gebied van zelfkennis vallen 3 dingen op:
doordat het kind voor langere tijd de aandacht kan concentreren op zaken in de omgeving, deelt het nu interesses met anderen, bepaalt het voorkeuren en krijgt het zelfs woedeaanvallen als zaken niet lopen als gewenst.

 

En inderdaad ja, lópen, want dat kan het kind nu ook zónder geleiding in de buitenwereld! En omdat het kind zijn evenwichtszin in voldoende mate onder controle heeft gekregen, kan het vanaf nu ook blokken stapelen tot een toren. Kortom: los lopen = torens bouwen!

Met het groeiende vermogen om de aandacht vast te houden, vermoedt en onderzoekt het kind zich een weg in de buitenwereld, wat resulteert in 'probeerhandelingen'.

N.B. Stel je eens voor hoeveel sneller de verwerking van al die indrukken moet plaatsvinden in dat kinderhoofd, gezien het feit dat het kind onze volle en snelle wereld nu zelf binnenstapt met steeds grotere loopsnelheid en behendigheid!

 

In deze fase zit het kind halverwege de psychologische geboorte (zie Tabel A).

 

In de Eendjesproef (zie vorige fase) wordt nu behalve de blauwe doek ook de rode doek opgetild en kijk: dáár is het eendje! We spreken in deze fase in termen van Piaget over 'Objectpermanentie': het object wordt een 'voortbestaan' toegekend en het kind zoekt nu ook door naar het 'verdwenen' object, zelfs al het die verdwijning niet zelf heeft waargenomen.

 

In deze fase kan het kind ook het boek met de mooie plaatjes zelfstandig openmaken, zonder zichzelf daarbij te hinderen: ogen, oren, evenwicht en spieren werken goed samen.

Maar ons wonderkind probeert nog wel zijn sloffen uit te trekken terwijl het ze aan heeft en erop staat (Baron von Münchhausen-effect)! Dat komt omdat het kind nog geen mentaal beeld van zichzelf heeft, nog geen mentaal beeld van zijn of haar eigen lichaam. Dat komt pas in de volgende fase.

 

We staan aan de vooravond van een reusachtige omwenteling: de overgang van klank- naar taalontwikkeling.

 

Terug naar inhoud

 

 

Fase VII - mentale beelden   DE WOORDENSCHATEXPLOSIE

 

(gemiddeld bij leeftijd van 18 tot 22 maanden)

 

Na 18 maanden, anderhalf jaar oud, spelen zich in het hoofd van ons mensenkind de eerste denkconstructies af. Berustten betekenissen en begrip in Fase II tot en met Fase VI louter op waarnemingen en handelingen, vanaf nu berusten zij nog steeds op waarnemingen en handelingen, maar komen er ook mentale beelden bij. Symboliek en uitgesteld imiteren doen hun intrede en dat heeft kolossale gevolgen voor het kind en zijn sociale omgeving.

 

N.B. De aard van het contact met de omgeving kent tot aan de derde verjaardag 5 verschillende 'vormen'. Eerst is het contact nog nihil, daarna eenvoudig, maar gaandeweg wordt de wisselwerking met de omgeving steeds veelzijdiger, intenser en ingewikkelder: Deze psychologische groei is gebaseerd op de ontwikkeling van het lichaam, in eerste instantie vooral doordat de uitlopers van de hersencellen steeds verder reiken en er steeds meer uitlopers ontstaan die verbindingen aanleggen tussen diverse hersencentra.

Kijken we nu even terug op de reeds doorlopen fasen, dan wordt de volgende tendens zichtbaar: vanuit het Passieve Contact uit Fase I, via het Fysieke Contact uit Fase III en het AandachtsContact uit Fase V zijn we in Fase VII bij een contactvorm aangekomen die veel abstracter van aard is: de wereld van mentale beelden. Die vorm is als DenkContact te bestempelen.

 

Ter verduidelijking van het begrip 'mentaal beeld' geeft Vervaet een voorbeeld:
in Fase V bestuurt moeder de auto en het kind in het zitje achterin doet die handelingen na.
(Dit heet 'onmiddellijk imiteren', omdat de voorbeeld-handeling en het imitatiegedrag gelijktijdig plaatsvinden. Met mentale beelden heeft dit nog niets te maken.) Maar vanaf Fase VII pakt het kind in de keuken een pandeksel en doet uit zichzelf alsof het (een auto) stuurt. Het sturen is in deze situatie een mentaal beeld in het hoofd van het kind geworden, en diens gedrag bevat zowel een vorm van uitgesteld imiteren als een toepassing van symboliek, namelijk: "een deksel is een stuur".

N.B. Vanaf nu zullen wij volwassenen meer op meer versteld staan van de bijzondere gevolgen die onze ' wereld' bij dat lerende kind opwekt: veel van wat voor ons normaal, vergeten of zelfs onzichtbaar is geworden, wordt door een kind weer levendig en fris gepresenteerd. Vanaf deze fase komt de term 'kinderfantasie' veelvuldig terug in het woordgebruik van ouders en verzorgers.

 

Stond in Fase V het woord 'woef' of 'waf' als gebonden taalteken nog voor hond (een hond zegt immers "woef/waf"), een arbitrair taalteken als 'hond' (in feite een symbool) wordt in Fase VII dankzij het denkvermogen een aantrekkelijk alternatief voor hond. En de uitdrukking 'hond' zal het op de duur gaan winnen van 'woef' en 'waf'!

Elke dag komen er nu een paar nieuwe woorden bij! De hoeveelheid groeit nu soepel en snel: hoor hier de woordenschatexplosie. Het klankgebruik is nu daadwerkelijk taalgebruik geworden.

N.B. Ook de volwassenen bereiken hiermee wederom een hoger stadium in hun groei als opvoeder. Hun stemgebruik en hun aanduiding van zaken in de omgeving wordt steeds beter door het jonge kind opgepakt en in steeds abstractere vorm begrepen!

 

Symboliek is ook terug te vinden in het gedrag van het kind, zoals in het ja-knikken, het nee-schudden en het bewust zwaaien bij een afscheid.

Het kind leert nu direct door observatie van andermans gedrag.

 

Het kind heeft nu ook een ruimtelijk mentaal beeld van zichzelf.

Net als in Fase VI handelt het adequaat in drie dimensies -lopen!- maar nu in Fase VII verdisconteert het zichzelf en zijn lichaam ook in de ruimte. Vandaar dat het die sloffen uit Fase VI uittrekt door éérst te gaan zitten: de tijd van Baron von Münchhausen zit er al weer op.

Het kind ziet zichzelf als het ware in de ruimte bezig, en het herkent zichzelf dan ook in de spiegel. Maar wonderlijk... het geeft zichzelf nog geen naam! Dat gebeurt pas in de volgende fase.

 

Terug naar inhoud

 

 


De overgang van Fase VI naar VII is fundamenteler dan alle andere: hier gaat de klankontwikkeling over in de eigenlijke taalontwikkeling met woorden en zinnen:

  • van Fase II tot en met Fase VI  (het oranje vlak in Tabel B) wordt klankontwikkeling vooral bepaald door biologische factoren zoals de groei van het strottenhoofd e.d.;

  • in Fase VII en later (het blauwe vlak in Tabel B) spreekt Vervaet van "de eerste denkconstructies" die voor het eerst taal in de ware zin van het woord mogelijk maken.

Tabel B:

10 fasen en 3 intelligentie-vormen

  1. De "vegetatieve pre-intelligentie" op 0 maanden

  2. De sensori-motorische intelligentie na 1 maand

  3. De semiotische intelligentie na 18 maanden

 

Terug naar inhoud
 

 

 

Fase VIII - verzamelingen   DE EERSTE VERZAMELINGEN

 

(gemiddeld bij leeftijd van 22 tot 26 maanden)

 

Na 22 maanden begint het kind twee ruimtelijke mentale beelden aan elkaar koppelen en ervaart het zichzelf als een wezen (ruimtelijk beeld 1) met een naam (ruimtelijk beeld 2). Het gebruikt die naam dan ook voor en over zichzelf.

Het ziet zichzelf én anderen als exemplaren van een verzameling waarvan ze op een bepaald ogenblik deel van uit maken. Het kind begint te tellen ("1.. 2... 8... 5...") en bezigt verzamelingwoorden als "ook", "nog", "samen" en "mee". Het zegt niet meer "Wim... lopen.", maar "Wim lopen." (gebonden zin). In feite kan het kind soepeler associëren, begrijpen dat "jas" en "aandoen" bij elkaar horen, en zeggen: "hond (doet) woef".

Het kan twee toestanden vergelijken en een toestandsverandering opmerken: de eerste mogelijkheden tot zindelijkheid dienen zich hierdoor aan.

 

Dit nieuwe inzicht brengt veel nieuw spelletjes met zich mee: iets leuks wordt eindeloos herhaald.

De betekenis van een volwassen "Laatste keer" wordt echter nog niet begrepen: het kind leeft nog altijd in het "eeuwige heden".

 

Drie sociale vermogens komen er in deze periode voor het eerst naar voren: voor het eerst stelt het kind vragen om ook daadwerkelijk antwoord te krijgen, het gebruikt vocatieven ('mama, lezen!'), en het is in staat tot het symboliseren van een gezamenlijke zin ("Ook teevee (kijken)") of tegenzin ("Mag niet", bijvoorbeeld tegen jonger broertje).

 

Terug naar inhoud

 

 

Fase IX - representeren   DE EERSTE GRAMMATICAAL JUISTE ZINNEN

 

(gemiddeld bij leeftijd van 26 tot 31 maanden)

 

Vanaf Fase V is het kind al in staat tot aandachtscontact. Zijn vermogen tot het maken van één mentaal beeld, en verzamelingen daarvan, is gebaseerd op dat vermogen tot contact met de omgeving via directe aandacht.

In Fase IX, na ongeveer 26 maanden, komen de mentale beelden los van aandachtscontact.

Het recente verleden wordt een actuele speler in het bewustzijn van het kind en hij of zij kan nu spontaan en uit zichzelf 'vertellen' wat hij of zij de afgelopen middag heeft meegemaakt! Dit proces, het "weer tegenwoordig maken van gebeurtenissen die geweest zijn", heet representeren. Dat kan het kind in Fase IX voor het eerst, en wél betrekking tot 1 contact in de tijd, de recent verleden tijd.

 

N.B. Laten we onze aandacht weer even richten op de kenmerken van de oneven fasen en hun benamingen als 'Contact': Fase I - Passief Contact; Fase III - Fysiek Contact; Fase V - Aandachtscontact. Fase VII - 'Denkcontact' .

In deze negende fase zien we het vermogen om te representeren: een verder ontwikkelde vorm van denkcontact met het verleden als duidelijke tijdsfactor. Dit zou ook Rapporterend Contact kunnen heten.

 

Verhaallijnen worden nu opgepakt en het meezingen van liedjes komt tot bloei (muziek is voor de meeste kinderen al vanaf Fase III een prettige ervaring, waarbij vooral melodieën en ritmes duidelijk effect hebben).

 

Het kind kan iets van zijn innerlijke gesteldheid weergeven (ik wil, ik moet...).

Beurtgedrag -op je beurt wachten- lukt echter nog niet, maar de betekenis van moeders "laatste keer" wordt nu begrepen. Een verbod of gebod begrijpen en uitvoeren zit er ook nog niet in, want het bestaan van een toekomst waarin zo'n verbod/gebod tot uitdrukking moet komen, die toekomst speelt in het leven van onze jongeling nog geen enkele rol. Dat ontstaat pas in de volgende fase.

 

Het ziet zichzelf én anderen nu niet meer als exemplaren van een verzameling, zoals in Fase VIII, maar als wezens met een eigen individualiteit. In het taalgebruik wordt dat bijvoorbeeld hoorbaar doordat een bepaalde toren nu niet meer als "toren" wordt aangeduid maar als "een toren".

Zo ontstaan in de taalontwikkeling binnen deze fase de eerste grammaticaal correcte zinnen, die nog enkelvoudig van aard zijn ("jij moet komen" en "ik bouw deze toren" en "deze toren is voor jou"). Denken gebeurt nog in rechte lijnen van A naar B.
 

De woordvolgorde verandert en verbetert met de dag.
In deze fase gebruikt het kind voor het eerst het lidwoord 'de'. Dat gaat soms goed ('de stoel') en soms ook niet ("de paard" en "de water").

 

(In een e-mail d.d. 170304 verduidelijkt Vervaet dit lidwoordgebruik op een interessante manier:

"... Het kind gebruikt in deze fase het lidwoord 'de' op juiste wijze, zoals in "de stoel", maar ook op onjuiste wijze zoals in "de water"'. Maar dan nog verdient het aanbeveling te stellen dat het kind het lidwoord 'het' nog niet bezigt. (De lezer zou tot de veronderstelling kunnen komen dat er ook kinderen zijn die van elk zelfstandig naamwoord een het-woord maken; dus 'het stoel', 'het water', 'het schoen'. Van zulke kinderen heb ik echter nog niet gehoord en volgens mij bestaan ze ook niet.)"

 

Het werkwoord "hebben" wordt vanaf nu ook gebruikt als hulpwerkwoord (N.B. grammatica: onvoltooid verleden tijd). Verkleinwoorden verschijnen in het taalgebruik, net als de toepassing van enkelvoud- en meervoudvormen. Het kind leert dat de uitgang '-en' van schoenen betekent dat er afzonderlijke schoenen bij elkaar bedoeld worden, ook al heeft het niet gezien dat schoenen bij elkaar gezet worden. Het kind is nu ook in staat tot de eerste (correcte) toepassingen van persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij), voorzetsels (in, op), modale hulpwerkwoorden (willen, kunnen), bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden en vraagwoorden.

 

Het kind leert nu ook voor het eerst de kleuren met hun bijbehorende namen. Rode en gele -door elkaar liggende- voorwerpen sorteren naar kleur lukt nu echter nog niet.

 

Terug naar inhoud

 

 

Fase X - coördinaties   DE PSYCHOLOGISCHE GEBOORTE

 

(gemiddeld bij leeftijd van 31 tot 36 maanden)

 

Wanneer het kind in Fase IX representeert, maakt het (mentaal) contact met 1 punt in de tijd, namelijk met een moment in het recente verleden. Vanaf nu, Fase X, kan het contact maken met minimaal 2 punten! In deze fase verbindt het kind 2 zaken die het niet kan waarnemen met elkaar.

 

Anders gezegd: het kind kan in deze fase twee representaties coördineren. Dat heeft 3 belangrijke gevolgen:

  1. Het vermogen om te sorteren ontstaat: de rode en gele -door elkaar liggende- voorwerpen uit Fase IX worden opgepakt en correct geselecteerd en geordend op kleur.

  2. Het tijdbesef dijt uit tot een besef van recent verleden én nabije toekomst.

  3. Het kind wordt in psychologische zin geboren: het begint zichzelf een identiteit toe te kennen, een materieel onwaarneembaar en dus mentaal geconstrueerde identiteit, ongeveer als volgt: "ik ben dezelfde als die ik kortgeleden was en als die ik binnenkort zal zijn". En tegelijkertijd erkent het kind ook het bestaan van andere identiteiten!

 

En daar blijft het niet bij: er ontstaan zelfs imaginaire wezens in de wereld van het kind!
N.B. Het mentale besef van (al dan niet bestaande) tijd lijkt wel een shock in het leven van een kind. Kwam het kind in de vorige fase met het 'verleden'-besef al tot de ervaring dat alle mensen en zelfs voorwerpen psychologische individuen zijn, met het 'toekomst'-besef komen er identiteiten binnen die voor het kind geheel reëel zijn maar die wij ouders en verzorgers nooit te zien zullen krijgen! Het 'magisch beďnvloeden' uit Fase III expandeert hier in buitengewone proporties. De ware liefhebbers van Science Fiction vinden vanaf deze fase hun ware inspiratiebronnen!

 

Ook in de taal wordt de coördinaties van 2 representaties zichtbaar. De enkelvoudige zinnen "Ik bouw toren." en "Toren is voor jou." groeit uit tot de grammaticaal correcte, samengestelde zin: "Ik bouw deze toren voor jou.".

Behalve het lidwoord 'de' gebruikt het kind vanaf nu ook het lidwood 'het': het zegt vanaf nu niet meer "de water", zoals in Fase IX, maar het grammaticaal correcte 'het water'.
Het woord "straks" wordt begrepen en gebruikt.

 

Het kind heeft nu "gevoel voor" een gezamenlijke innerlijke gesteldheid (meeleven) en er verschijnt een eerste begrip van gebod en verbod (driehoeksdenken met twee innerlijke gesteldheden) en het respecteren ervan.

 

Het mensenkind kan vanaf een leeftijd van 31 maanden op zijn beurt wachten!

 

Terug naar inhoud

 

 

 

 

Hoofdstuk 3

Een overzicht in tabelvorm van de groei in zelfervaring en zelfkennis in de tien fasen, en van andere bijzonderheden; overzicht van de relevante proefjes in de tien fasen

 

N.B. Ewald Vervaet maakt in dit boek onderscheid tussen zelfervaring en zelfkennis, en dat onderscheid is niet altijd eenvoudig.

Bij de zelfervaring van een kind tot drie jaar is het nog simpel; 'zelfervaring' staat in die periode voor de mate waarin het kind zichzelf kan ervaren als een lichamelijke eenheid en als een psychologische eenheid. Zie tabel C.

 

(In een e-mail d.d. 140304 gaat Vervaet dieper in op wat hij onder zelfervaring verstaat - "het moeilijkste begrip van de verschillende domeinen in ons psychologisch functioneren" - en geeft hij diverse voorbeelden van zelfervaring het derde levensjaar:

"... Op dit moment zou ik de zelfervaring kunnen omschrijven als dat besef omtrent wat men in lichamelijk opzicht is (bruinhuidig, blauwogig, linkshandig) en heeft (een ziekte of gebrek, kleding), wat men in materieel en psychisch opzicht heeft (bezittingen, politieke overtuiging, religie) en welke rollen men in sociaal opzicht ten opzichte van wie inneemt ('vadertje' in 'vadertje en moedertje', Nederlanderschap, man/vriend van..., docent in ... aan..., klant bij...).
Zo ontstaat het 'mijngevoel' (onderscheid naar mijn en dijn) tussen de leeftijden 3 en 5 jaar, het lichamelijke zelfgevoel (los kunnen fietsen op tweewieler, zelf bips af kunnen vegen, enzovoort) tussen de 5 en 7 jaar..., het vermogen je in andermans gevoelspatronen in te leven rond
het 15de levensjaar...")

 

'Zelfkennis' bestaat volgens Vervaet bij het kind uit het ontvangen van impressies uit de buitenwereld en de 'gevoelsmatige reacties" erop. Zie Tabel D.

 

Terug naar inhoud

 


Tabel C:

Overzicht van de ontwikkeling in zelfervaring in de tien fasen

 

 

Terug naar inhoud

 

 


Tabel D:

Overzicht van de ontwikkeling in zelfkennis in de tien fasen

 

 

Terug naar inhoud

 

 


Tabel E:

Overzicht van diverse ontwikkelingen in de tien fasen met in de laatste kolom enkele relevante proefjes

 

 

Terug naar inhoud

 

 


Tabel F:

Overzicht van diverse proefjes (voor de kinderen zijn het leuke spelletjes!) en hun toepasbaarheid in de tien fasen

  • Flesproef: Fase III-IV
    m.b.t. dieptebesef
    Nodig: fles met speen

  • Knipproef: Fase III
    m.b.t. (magisch) ruimtebesef
    Nodig: met je vingers kunnen knippen

  • Kussenproef: Fase III-IV
    m.b.t. m.b.t. noties over omgeving
    Nodig: kussen, rammelaar

  • Onderzetterproef: Fase III-IV
    m.b.t. noties over omgeving
    Nodig: onderzetter of envelop, rammelaar

  • Speenproef: Fase III-IV
    m.b.t. noties over omgeving
    Nodig: speen, soepstengel

  • Touwtjesproef: Fase IV-V
    m.b.t. verbanden leggen t.g.v. aandachtscontact met één punt en daarop variëren
    Nodig: speelgoed op wieltjes met touw eraan

  • Eendjesproef: Fase V-VI
    m.b.t. noties over omgeving (objectpermanentie)
    Nodig: Leuk klein eendje, blauwe doek, rode doek

  • Stokproef: Fase V-VI
    m.b.t. verbanden leggen t.g.v. aandachtscontact met twee punten en daarop variëren
    Nodig: stok

  • Doekproef: Fase VI-VII
    m.b.t. mentaal beeld van eigen wezen, Baron von Münchhausen-effect
    Nodig: doek of sloffen

  • Spiegelproef: Fase VI-VII
    m.b.t. mentaal beeld van eigen wezen
    Nodig: Spiegel, rode schmink of lippenstift

  • Blikjesproef: Fase VII-VIII
    m.b.t. verbinden van twee mentale beelden
    Nodig: 1 cylindervormig blikje van 6,5 centimeter doorsnee en 11 cm diep. Binnen op de bodem een afbeelding van bijvoorbeeld een lief poesje.

  • Knikkerproef: Fase IX-X
    m.b.t. toekomstbesef
    Nodig: knikkerbaan met knikkers

Terug naar inhoud
 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4

Vier interessante aspecten binnen de psychologische ontwikkeling van het kind
 

Tot slot neem ik een aantal aspecten apart uit de ontwikkeling van een kind, namelijk:

  • A: de hechting in Fase IV en de daar uit volgende scheidingsangst

  • B: het zelfvertrouwen van een kind versus faalangst

  • C: de samenhang tussen de ontwikkeling van het zenuwstelsel en de
         psychologische ontwikkeling

  • D: het hoe en wat van regels en verboden

     

A: Centraal in de opvoeding: hechting versus scheidingsangst

Een van de belangrijkste stappen in de psychologische ontwikkeling van een kind is de ontdekking en herkenning (in Fase IV) van regelmatigheden in de omgeving.

Degenen die het kind verzorgen, verdwijnen en komen weer tevoorschijn, en kijk, daar verdwijnen ze weer uit zicht en hop, daar zijn ze weer! De verschijning van de verzorger wordt nu als prettig ervaren, en dit groeiende besef wordt de hechting genoemd. Tegelijkertijd toont de verdwijning van de verzorger de andere kant van deze medaille: een niet eerder vertoonde paniek die scheidingsangst wordt genoemd.

Het is niet toevallig dat deze nieuwe 'vermogens' samenvallen met het vermogen tot kruipen.

 

N.B. Ook volgens de oude Boeddhistische inzichten zijn verlangen en angst onlosmakelijk met elkaar verbonden, of beter uitgedrukt, twee aspecten van één en hetzelfde fenomeen.

Terug naar inhoud

 

 

B: Centraal in de opvoeding: zelfvertrouwen versus faalangst

Al eerder citeerden wij Vervaet: "In ontwikkelingspsychologisch opzicht bestaat zinvol opvoeden uit aansluiten bij en gebruikmaken van wat het kind gezien zijn fase kan, en aanvullen op wat het in die fase niet kan."

 

Tijdens zijn ontwikkeling door de fasen heen doet en zegt een kind voortdurend dingen die kwalitatief "slechter" zijn dan wat zijn ouders doen en zeggen. Het kind gaat zich dat gaandeweg de fasen steeds meer beseffen. Om de groei van het zelfvertrouwen van een kind optimaal te begeleiden, dienen ouders vol compassie te zijn in een geduldige omgeving. Begrip is vooral nodig in momenten waarin het kind onmachtig is of duidelijk tekenen vertoont van overgang en strijd (bijvoorbeeld: het 'gevaar' van stotteren in Fase X).

 

N.B. Heeft u wel eens gelezen over de liefdevolle methoden van communicatie gepresenteerd door Thomas Gordon? Wilt u daar iets meer van weten, klik dan hier.


Terug naar inhoud

 

C: Neuronale ontwikkeling versus psychologische ontwikkeling

  • Hersencellen maken "in het wild" uitlopers. Net zoals spieren en botten door veelvuldig herhaald gebruik versterkt worden, zo ook worden neuronale verbindingen gestimuleerd en versterkt door veelvuldig gebruik t.g.v. psychologische processen. Zonder psychologische structurering zou er louter "neuronale wildgroei" plaatsvinden.

  • Psychologische groei is gebaseerd op de ontwikkeling van het lichaam, in eerste instantie vooral doordat de uitlopers van de hersencellen steeds verder reiken en er steeds meer uitlopers ontstaan die tussen diverse hersencentra verbindingen aanleggen.
    N.B. een zenuwcel heeft één lange uitloper die signalen uitzendt (axon), en zeer veel kortere uitlopers die signalen ontvangen (dendrieten).
    Met andere woorden: p
    sychologische ontwikkeling volgt dus de neuronale ontwikkeling; de handelingen die volgen uit vermoedens, stimuleren op hun beurt weer de neuronale voortgang en groei (zie hier het fundament van de Circuittheorie).

  • Voordat een nieuw vermogen houdbaar wordt/blijkt, dient dit vermogen niet alleen eerst vermoed te worden, maar daarna veelvuldig te worden herhaald. Vruchtbare herhaling leidt tot houdbaarheid en vaste neuronale verbindingen die in stand worden gehouden.

    (Onder Fase II las u reeds de volgende zin: Na 1 maand worden de afzonderlijke reacties van de zintuigen en de afzonderlijke motorische reflexen afgestemd op elkaar en op impulsen uit de omgeving.
    Deze volgorde is zowel chronologisch als logisch volgens Vervaet. In een e-mail (24 februari 2004) schrijft hij:
    "...de volgorde 'op elkaar en op de omgeving' is beter dan 'op de omgeving en op elkaar'. Immers, die impulsen uit de buitenwereld zijn er bij wijze van spreken de hele dag - als er al werking van uit zou gaan, dan uiteraard slechts als het kind z'n ogen open heeft (als het z'n ogen betreft), maar waarom gebeurt er dan een hele maand lang niets?
    Volgens mij gaat het met het staren vanaf 1 maand zo. Het kind van fase 1 vangt iets uit de buitenwereld op met z'n ogen, bijvoorbeeld een wit konijntje dat op 25 cm van hem vandaan staat. Stel dat het kind dat tafereel leuk vindt, dan zal het dat willen continueren als dat konijn op grond van motorische reflexen in de spieren rond z'n oogbollen uit beeld dreigt te raken. Om het zien van dat konijntje te kunnen continueren, zullen er dus eerst neurologische verbindingen tussen de oogbolspieren enerzijds en de netvliescellen achterin de ogen anderzijds moeten zijn, op basis waarvan het kind die spieren en cellen op elkaar zou kunnen afstemmen. Pas wanneer het dat kan, kan het ook z'n blik op dat konijntje fixeren en is er afstemming tussen hemzelf en (dat deel van) de buitenwereld. Het lijkt misschien muggezifterig, maar de omgekeerde stelling leidt regelrecht naar het empirisme (kennis zou uit de buitenwereld komen en niet van binnenuit geconstrueerd worden vanuit een interactie met de buitenwereld) en dat weer naar het positivisme."
    )

     

  • In de ontwikkeling van Fase II naar Fase X komen er steeds meer tussenschakels tussen wat er in de omgeving wordt waargenomen en de uiteindelijke spierbewegingen. Heel duidelijk merkbaar is dat vanaf Fase VII, wanneer denkoperaties in toenemende mate posities innemen tussen die 'binnenkomende' waarnemingen en 'uitgaande' handelingen.

Terug naar inhoud

 

 

D: Regels in acht houden, verboden en geboden

Ouders willen terecht dat hun kind zich wat van anderen leert aantrekken en regels in acht leert nemen. Voor het eerste is het echter nodig dat het met anderen kan meeleven, en voor het tweede dat het geboden en verboden begrijpt. Daarmee doemt een groot opvoedingprobleem op, want beide vermogens ontstaan pas in Fase X (ongeveer na 31 maanden!)

 

Pas in Fase IV begint de kleine te kruipen en zich zelfstandig voort te bewegen. De neiging tot verbieden ontstaat bij ouders vooral in deze fase en groeit met de steeds hogere snelheid van de dreumes tot peuter en kleuter mee. Terwijl in Fase IV ook het moment is van de o zo belangrijke hechting en de daarmee gepaard gaande angsten.

 

Hoe nu te handelen? Verbieden heeft vóór Fase X géén zin; als het kind de inhoud van het verbod al op dat moment begrijpt, overtreedt het dat enkele minuten later toch weer omdat het verboden niet verinnerlijkt. (Bovendien heeft het vóór Fase X nog geen besef van toekomst.) Aan de andere kant begrijpt het vanaf Fase IV wel wat een hindernis is. Daarom ervaart het kind zijn ouders in toenemende mate als lastposten wanneer ze hem de hele dag verbieden en tegenhouden.

Een belangrijk onderdeel van de vereiste actie in deze omstandigheden is het nemen van voorzorgsmaatregelen. In zijn boek gaat Ewald Vervaet vanaf pagina 193 tot aan pagina 196 dieper in op die situaties waarin het treffen van voorzorgsmaatregelen absoluut niet mogelijk is.

 

Terug naar inhoud

 

 

 

Hoofdstuk 5

De Circuittheorie en de gehanteerde onderzoeksmethode

 


Tabel G:

Basistabel A met het verband tussen de tien psychologische ontwikkelingsfasen en de Circuit-theorie van Ewald Vervaet.

 

 

In hoofdstuk 12 van het boek "Groeienderwijs" gaat Vervaet dieper in op zijn Circuittheorie. Een circuit definieert hij uiteindelijk kortweg als een samenhangend geheel van waarnemingsoperaties en handelingsoperaties, vanaf de kwartaire circuits uitgebreid en verbonden met denkoperaties.

Terug naar inhoud

 

 

Over zijn methode van onderzoek schrijft Ewald Vervaet in een e-mail d.d. 5 februari 2004:

Ik heb voor de periode tot een jaar of drie en drie maanden 28 kinderen gevolgd, en wel om de zes weken; zie ook het slot van hoofdstuk 13. Na de derde verjaardag heb ik de meeste van deze kinderen een poosje om de 3 of 4 maanden gezien - het gaat daarbij om ongeveer 14 eenlingen en 4 tweelingen. Tussen hun vierde verjaardag tot kort na hun zevende verjaardag heb ik met die 22 kinderen elk half jaar een onderzoekssessie gehouden.

Piaget noemde z'n methode wel eens de klinische methode. Ze is ook te omschrijven als half-gestandaardiseerd en half-vrij: gestandaardiseerd naar wat men wil onderzoeken (bijvoorbeeld de knikkerproef) en naar een aantal vragen/opdrachten die beslist aan bod dienen te komen (het voordoen van de onderscheppingsreactie door mij en het kind vragen de knikker ook ergens in het knikkerspel te pakken), maar vrij wat betreft het doorpraten met het kind en doorvragen op zijn reacties: daarin dient men het kind te volgen om te proberen te begrijpen hoe het kind denkt en waarom het doet zoals het doet. Ze is dus ook interactionistisch want van doorslaggevend belang zijn niet de vooropgezette gedachtes die men wellicht over het kind heeft, maar de directe wisselwerking met het kind tijdens een bepaalde proef, opdracht of wat ook maar.

Een derde manier om ze aan te duiden is genetisch-strukturalistisch. Dat wil zeggen, het onderzoeken van de samenhang in het handelen, waarnemen en denken van het kind; en het volgen van de ontstaanswijze, de genese van een bepaalde samenhang. 'Genetisch' hoort dus niet bij 'genetica' maar bij 'genese'.

 

 

Terug naar inhoud

 

 

 

Conclusie

Eindelijk weer eens een diepgravend boekwerk in heldere taal over de ontwikkeling van een kinderleven. Eindelijk ook weer eens een wetenschappelijk verantwoord boek dat je kunt lezen zonder het raadplegen van een vreemdewoordenboek. Ewald Vervaet heeft met "Groeienderwijs" een raamwerk neergezet waarop wij ouders al ons huidige en toekomstige begrip van de kinderwereld kunnen enten. Eindelijk ook weer eens een fundamenteel onderzoek waarbij het wonder van de gezondheid van het kind de aandacht krijgt, in plaats van de al dan niet vermeende 'afwijkingen'! Vervaet levert met zijn werk m.i. dan ook een buitengewone bijdrage aan het begrip van en voor de wereld van het kind, ook het hedendaagse.

 

Behalve inzicht voor de ouders biedt dit werk ook voeding voor ontwikkelingspsychologen. In feite kan iedereen die met kleine kinderen werkt profiteren van Vervaets gedetailleerde speurwerk.

Zijn bevindingen en zijn Circuit-theorie sluiten naadloos aan bij de neurologische feiten zoals we die bij Jeannette Vos en Gordon Dryden tegenkomen, zoals bij hun bevindingen:

"Eén ding is zeker: voor je brein geldt hetzelfde als voor je spieren. Als je die spieren niet gebruikt, verslappen ze. Als je ze niet gebruikt, gaat de kwaliteit van miljoenen verbindingen achteruit of die verbindingen verdwijnen. Je kunt je brein dus trainen, net als spieren" en "...onthoud dat elke zenuwcel de mogelijkheid heeft om 20.000 verbindingen te hebben of te maken met andere onderdelen van het lichaam!"
Ook de harmonische en creatieve communicatievaardigheden van Thomas Gordon kunnen probleemloos aan Vervaets wetenschap gekoppeld worden.

Vervaets uitspraak "In ontwikkelingspsychologisch opzicht bestaat zinvol opvoeden uit aansluiten bij en gebruikmaken van wat het kind gezien zijn fase kan, en aanvullen op wat het in die fase niet kan." sluit zelfs aan bij de holistische visie van mystici als Osho, die stelt:
"The child needs immense privacy. The parents should come only to help, not to interfere. He should be allowed to do things or not to do things. Parents should only be alert that he does not do any harm to himself or to anybody else - that's enough. More than that is ugly."

 

Persoonlijk ben ik benieuwd om te zien óf en hoe traumatische ervaringen in een kinderleven en de gevolgen daarvan, zoals regressie, beter te begrijpen zijn m.b.v. dit "sjabloon". Waarom en hoe hakt een verstoring nou specifiek op het spreekvermogen in, of op de motoriek of op het sociale vlak?

 

 

Amsterdam, maart 2004

© Tura G. Gerards / The Magical Madhouse
De samenvatting binnen dit verslag is geautoriseerd door Ewald Vervaet.
 

Klik hier voor een overzicht van de doordenkers uit
de
Zuigeling- en dreumesweek van 21 t/m 28 maart 2004

 

Lees ook het vervolg op dit boek van Ewald Vervaet:
Naar school, psychologie van 3 tot 8

 


Boeken van Ewald zijn te koop en te bestellen
via alle boekwinkels in Nederland!
Ook verkrijgbaar via bol.com:

Groeienderwijs
Groeienderwijs
Ewald Vervaet


  Naar school
Naar school
Ewald Vervaet


Het raadsel intelligentie
Het raadsel intelligentie
Ewald Vervaet




 

Terug naar inhoud