![]() |
![]() |
![]() |
||||||
|
|
||||||||
|
|
||||||||
![]() |
NIEUWS SCHATKAMER WINKEL HOME FAQ LINKS OVER ONS CONTACT | |||||||
|
Boeken van Ewald Vervaet
|
GROEIENDERWIJS
Psychologie van
0 tot 3
cover 4e en 5e druk cover 1e t/m 3e druk
ontwikkelingspsycholoog
(Uitgeverij Ambo 2002) ISBN10: 9026317646 | ISBN13: 9789026317644
Boekverslag en -bespreking door Tura G. Gerards
De samenvatting
binnen dit verslag is
geautoriseerd door Ewald Vervaet.
De Psychologische ontwikkeling
"Ik heb de indruk dat mijn
onderzoek naar het heel kleine kind
psychologie van 0 tot 3 is nog gemakkelijk in te nemen.
Over een stelling als "Je kunt in principe pas blokken tot een torentje stapelen wanneer je begint met lopen" moeten we al een beetje nadenken.
jonger dan 31 maanden iets te verbieden."
INHOUD Tabel A De basistabel
Tabel B 10 fasen en 3 intelligentie-vormen Tabel D Overzicht van de ontwikkeling in zelfkennis in de tien fasen Tabel E Overzicht van diverse ontwikkelingen in de tien fasen met in de laatste kolom enkele relevante proefjes Tabel F Overzicht van diverse proefjes en hun toepasbaarheid in de tien fasen Tabel G Het verband tussen de tien psychologische ontwikkelingsfasen en de Circuit-theorie van Ewald Vervaet.
Hoe ging Vervaet te werk? Wat maakt dit boek "Groeienderwijs" zo nieuw? De Circuittheorie van Vervaet Verantwoording van de schrijver van dit verslag
Hoofdstuk 1 Algemeen overzicht
Hoofdstuk 2
De psychologische
ontwikkeling in tien fasen Fase I - passief contact ROND DE BIOLOGISCHE GEBOORTE (gemiddeld bij leeftijd van 0 tot 1 maand). Fase II - afgestemdheid DE PSYCHOLOGISCHE CONCEPTIE (gemiddeld bij leeftijd van 1 tot 4 maanden) Fase III - fysiek contact FYSIEK CONTACT (gemiddeld bij leeftijd van 4 tot 8 maanden) Fase IV - regelmaat REGELMAAT (gemiddeld bij leeftijd van 8 tot 12 maanden) Fase V - aandachtscontact LEREN ZONDER AANRAKEN (gemiddeld bij leeftijd van 12 tot 15 maanden) Fase VI - verbindingen HET PSYCHOLOGISCHE EMBRYO (gemiddeld bij leeftijd van 15 tot 18 maanden) Fase VII - mentale beelden DE WOORDENSCHATEXPLOSIE (gemiddeld bij leeftijd van 18 tot 22 maanden) Fase VIII- verzamelingen DE EERSTE VERZAMELINGEN (gemiddeld bij leeftijd van 22 tot 26 maanden) Fase IX - representeren DE EERSTE GRAMMATICAAL JUISTE ZINNEN (gemiddeld bij leeftijd van 26 tot 31 maanden) Fase X - coördinaties DE PSYCHOLOGISCHE GEBOORTE (gemiddeld bij leeftijd van 31 tot 36 maanden)
Hoofdstuk 3 Een overzicht in tabelvorm van de groei in zelfervaring en zelfkennis in de tien fasen, en van andere bijzonderheden; overzicht van de relevante proefjes in de tien fasen
Hoofdstuk 4 Vier interessante aspecten binnen de psychologische ontwikkeling van het kind A: Centraal in de opvoeding: hechting versus scheidingsangst B: Centraal in de opvoeding: zelfvertrouwen versus faalangst C: Neuronale ontwikkeling versus psychologische ontwikkeling D: Regels in acht houden, verboden en geboden
Hoofdstuk 5 De Circuittheorie en de gehanteerde onderzoeksmethode
Inleiding
Dr. Ewald Vervaet is geboren in Zeeland in 1949. Vanaf 1968 studeert hij wis- en natuurkunde aan de VU in Amsterdam en in 1977 studeert hij daar af als kernfysicus. In 1976 begint hij met de studie psychologie, eveneens aan de VU. In 1981 studeert hij af als klinisch psycholoog. In 1986 bereikt hij zijn doctorstatus door te promoveren aan de UvA op Strukturalistische verkenningen in kennisleer en persoonlijkheidsleer.
Toch ziet Vervaet zichzelf meer als (ontwikkelings)psycholoog dan als natuurkundige. Hij ontdekt dat in vrijwel alle bekende onderzoeken op het gebied van psychologische ontwikkeling bij kleine kinderen de periode tussen 1,5 en 3 jaar weinig of geen aandacht krijgt. Gebeurt er in die tijd dan niets dat van belang is? Jean Piaget bijvoorbeeld, de Zwitserse kinderpsycholoog die leefde van 1896 tot 1980, onderzocht niet één lange periode, maar twee kortere: hij hield bij de kleintjes op tussen 1,5 en 2 jaar en vervolgde zijn onderzoek met de kleuters vanaf 4,5 tot 5 jaar, tot aan de leeftijd van 12 jaar. Daartussen zat dus een gat van ongeveer 3 jaar. Maar ook latere onderzoekers en schrijvers van bekende voorlichtende boeken (bijvoorbeeld 'Oei, ik groei' en 'Baby- en kleuterverzorging') behandelen deze periode tussen 1,5 en 3 jaar in het geheel niet of zeer summier.
In een e-mail op 5 februari 2004 vertelt Vervaet: "Toen m'n onderzoek met kinderen tussen 1,5 en 3 jaar meer bleek op te leveren dan ik er in het begin van had durven dromen, besloot ik een poging te doen die kloof in Piagets gehele werk te overbruggen. Ook dat is me beter gelukt dan ik ooit had durven dromen of hopen."
In dit boek noemt Vervaet die periode in het
kinderleven "de wondere jaren":
Net als kinderpsycholoog Jean Piaget, hanteerde Vervaet voor zijn onderzoek een van de 'oudste, ambachtelijke' wetenschapsmethoden. Zie voor een precieze definitie daarvan hoofdstuk 5: de Circuittheorie en de gehanteerde onderzoeksmethode.
Hoe ging Vervaet te werk? Vervaets onderzoek en de verwerking ervan vergde iets meer dan tien jaar. Hij volgde voor de periode tot een jaar of drie en drie maanden 28 kinderen en bezocht hen om de zes weken. Na de derde verjaardag zag hij de meeste van deze kinderen een poosje om de 3 of 4 maanden - het ging daarbij om ongeveer 14 eenlingen en 4 tweelingen. Met die 22 kinderen hield hij tussen hun vierde verjaardag tot kort na hun zevende verjaardag elk half jaar een onderzoekssessie. Volgens Vervaet duren de fasen voor de derde verjaardag gemiddeld 3, 4 of 5 maanden, terwijl de fasen in de psychologische ontwikkeling ná de derde verjaardag gemiddeld meer dan 1 jaar duren.
In zijn poging het inzicht in de ontwikkeling van een kind van 0 tot 3 jaar op een hoger niveau te brengen, richtte Vervaet zijn pijlen op 5 thema's. Dat zijn:
Om alle verschijnselen in de ontwikkeling van een kind van 0 tot 3 jaar binnen de genoemde vijf thema's volledig weer te geven, poneert Vervaet 10 fasen, waarin het kind telkens nieuwe inzichten en bijbehorende handelingen vertoont. In elke fase ontstaan nieuwe psychologische vermogens. Geen enkel kind kan een fase overslaan en de volgorde van de fasen staat vast. Op een nieuw terrein functioneert het kind eerst "egocentrisch" en pas in een later stadium gesocialiseerd (ook wel gedecentreerd genoemd). De tijdsduur van elke fase is per uniek kind verschillend. De duur van elke fase, hier gegeven in maanden, is een gemiddelde (zie voor de vele mogelijkheden in variatie een eigen onderzoek van www.ouders.nl)
Met zijn kennis van de kinderpsychologie en de resultaten van zijn eigen onderzoek antwoordt Vervaet op de vraag wat een zinvolle opvoeding inhoudt, principieel het volgende: "In ontwikkelingspsychologisch opzicht bestaat zinvol opvoeden uit aansluiten bij en gebruikmaken van wat het kind gezien zijn fase kan, en aanvullen op wat het in die fase niet kan."
Wat maakt dit boek "Groeienderwijs" zo nieuw? Dat een kind psychologisch geboren wordt in zijn eerste drie levensjaren, is een gedachte die gemeengoed is onder ontwikkelingspsychologen en pedagogen. Wat maakt dit boek van Vervaet dan zo nieuw? Volgens de schrijver zelf zijn dat de volgende 3 punten:
Vervaet deed via zijn gedetailleerde onderzoek een aantal nieuwe vondsten in, zoals:
De Circuittheorie van Vervaet D e ontwikkeling van een klein kind is een ingewikkeld proces dat met het verder groeien alleen maar complexer wordt, alleen al door alle onderlinge samenhang(en) tussen ruimte- en tijdbesef, sociale intelligentie, taalontwikkeling en zelfkennis. Het boek "Groeienderwijs, psychologie van 0 tot 3" verrast doordat het deze complexe kwesties en de onderlinge samenhang helder en prettig leesbaar weergeeft. In hoofdstuk 12 van het boek presenteert Vervaet het geheel van zijn bevindingen in een flexibele, wetenschappelijke vorm: de Circuittheorie.
Verantwoording van de schrijver van dit verslag Middels de onderstaande hoofdstukken wil ik u een inzicht bieden in de psychologische ontwikkeling van een kind, en in de 10 fasen zoals die in Vervaets boek worden gepresenteerd. U zult onder andere een korte (niet altijd volledige) samenvatting van elke fase aantreffen. Om u snel een overzicht te geven van het geheel, heb ik er bovendien voor gekozen om, met medewerking van Ewald Vervaet zelf, een aantal zaken in tabelvorm te presenteren. D e Circuittheorie, die Ewald Vervaet uit zijn onderzoekgegevens heeft geformuleerd, zal ik grotendeels buiten beschouwing laten (Zie voor een summiere bespreking hoofdstuk 5 van dit verslag en Tabel G).
Wanneer ik ergens interessante inzichten toevoeg die niet expliciet op die manier in "Groeienderwijs" beschreven staan, worden ze vermeld als een N.B., en wel in deze groene kleur en cursief gedrukt.
Hoofdstuk 1
Algemeen overzicht
Hoofdstuk 2
De
psychologische ontwikkeling
Fase I - passief contact ROND DE BIOLOGISCHE GEBOORTE
(gemiddeld bij leeftijd van 0 tot 1 maand)
Tot 1 maand
heeft de nieuwe mens geen zelfkennis
en zelfervaring. Hij heeft geen besef van ruimte
en tijd en leidt een vegetatief bestaan,
uitsluitend gericht op behoeftenbevrediging.
Hij heeft wel ogen, oren, handen, benen en een stem die een belangrijke
rol gaan spelen. De zintuigen werken elk
solo, zonder onderlinge afgestemdheid, zonder actieve interactie met
de omgeving. In de handjes van de baby vinden knijpreflexen plaats (motorische reflexen), zijn oogjes zien wel
maar ongericht en alles vliegt eraan voorbij (zintuiglijke
reacties). Loensen is een normaal verschijnsel. De oortjes zijn al iets verder ontwikkeld omdat het
kind in de baarmoeder al geluiden heeft opgevangen. Ofschoon dit kleine
mensenkind al intens tevreden gesteld kan worden met borstvoeding,
inbakeren en gewiegd worden, is het in feite nog geen psychologisch wezen
omdat het zich in geen enkele mate bewust is van zijn omgeving.
Fase II - afgestemdheid DE PSYCHOLOGISCHE CONCEPTIE
(gemiddeld bij leeftijd van 1 tot 4 maanden)
Na 1 maand worden de afzonderlijke reacties van de zintuigen en de afzonderlijke motorische reflexen afgestemd op elkaar en op impulsen uit de omgeving (precies in deze volgorde! Zie voor het hoe en waarom van deze volgorde hoofdstuk 4 C van dit verslag). Het handje van de baby blijft in moeders vinger knijpen, in plaats van los te laten na reflexmatig knijpen. Het kind leert nu langzaam de ogen gericht houden op iets dat visueel interessant is, een opvallend stuk touw bijvoorbeeld. Oren en nekspieren worden al op elkaar afgestemd; het kind probeert een rammelende sleutelbos te volgen. Hoewel er dus een mens ontstaat die een eerste interactie met de omgeving aangaat, is dit wezen qua zelfervaring in een stadium als zijnde "ondergedompeld in werkingen en taferelen". Deze fase van afstemming
wordt de 'psychologische conceptie' genoemd: precies zoals
in de biologische conceptie een zaadje en een eitje met elkaar samengaan,
zo gaan in Fase II een sensorische reactie en een motorische reflex -
allebei puur biologisch van aard - met elkaar samen.
In deze fase wordt het huilen - in plaats van
louter biologisch en reflexmatig zoals in Fase I - ook psychologisch van
aard. In de klankontwikkeling valt het vocaliseren van klinkers
op, en van half-klinkers
als -j- en -w-. Dit alles wordt nog volledig bepaald door de biologische
beperkingen van de keelholte, de tong, enz.
Fase III - fysiek contact FYSIEK CONTACT
(gemiddeld bij leeftijd van 4 tot 8 maanden)
Vanaf 4 maanden beginnen de afzonderlijke modaliteiten (zintuiglijk zoals kijken en motorisch zoals knijpen) onderling goed samen te werken; het kind en diens hersencellen groeien, en daardoor ook de aantrekkingskracht van de omgeving, of beter gezegd: het kind gaat zijn of haar omgeving - die voordien een vrijwel amorf geheel van prikkels was - meer structureren en dus ook aantrekkelijker vinden. (Zie hoofdstuk 4 van dit verslag voor de samenhang tussen hersencelgroei en psychologische groei.)
(In een e-mail d.d. 220204 voegt Vervaet aan de werking van zintuigen en motoriek toe: "... ik vind het een van de grootste vondsten van Piaget, dat vanaf ongeveer 1 maand de zintuiglijke en de motorische kant van ons functioneren als onscheidbaar worden opgevat. Dat en alleen dat kan bijvoorbeeld verklaren waarom een peuter en een kleuter in een en dezelfde kartonnen doos het ene moment een boot zien (namelijk als ze erin gaan zitten en roeibewegingen maken) en het andere een kookpot (namelijk door erin te roeren met een stok): sensorisch verandert er niets aan die doos, maar hij wordt, nee, is een boot of pot vanwege de handelingen die het kind ermee verricht...")
Het kind is
nu actief op de buitenwereld gericht: door
samenwerken van oog en hand/arm leert het iets opzettelijk te grijpen en vast
te houden. Maar met de arm op weg naar een interessante rammelaar, grijpt
het kind toch naar (bijvoorbeeld) een onderzetter die snel tussen kind en rammelaar wordt
ingelegd. Die onderzetter krijgt nu alle aandacht en er wordt flink op
gesabbeld! Ook als iets leuks plotseling verdwijnt, wordt er niet meer naar gezocht.
Weg is weg en niet-bestaand!
Kan het kind zichzelf in deze fase al "als een
eenheid ervaren"? Nee. Het kind "ervaart"
zichzelf hooguit als "iets" dat actief betrokken is in diezelfde werkingen en taferelen,
waarin het in de volgende fase nog "ondergedompeld" was.
Schoppend en zwaaiend met armen en benen probeert het
handelingen van volwassenen herhaald te krijgen (magisch beďnvloedingspogingen).
In deze fase ontstaan ook de
intenties om het zichzelf prettiger te maken of te trachten een eind te
maken aan iets onprettigs: het kind kan een speen dat uit zijn of haar mond is
gevallen oprapen en weer in z'n mond doen; wanneer de neus of de mond van
het kind door iemand wordt afgeveegd, kan het kind proberen om de hand van
die persoon
weg te duwen.
Op het gebied van klankontwikkeling valt het egocentrisch brabbelen
op: het met opzet geluid voortbrengen, in de
vorm van diffuse en onvaste klankbogen. Met het begin van een klankproductie
beweegt het hele lichaam nog intens mee: het kind "weet" nog niet precies welke spieren nou voor dat
stemgeluid zorgen en welke niet.
Fase IV -
regelmaat
REGELMAAT
(gemiddeld bij leeftijd van 8 tot 12
maanden)
De spieren en zintuigen werken na 8 maanden goed samen.
Het kind vormt zich
"praktische" noties over de omgeving; echt "begrijpen" is er nog niet
bij maar de hersenen worden klaar voor meer en meer impressies. En de
controle over het lichaam en de beweging groeit in principe in eenzelfde
tempo door: het kind leert nu los zitten en kruipen. Het
ontdekt dat je door
gerichte handeling in de omgeving dingen gedaan kunt
krijgen: bijvoorbeeld door moeders hand in een
bepaalde richting te duwen. Met de arm op weg naar de interessante
rammelaar uit de vorige fase, schuift het kind de onderzetter, die snel tussen kind en
rammelaar wordt ingelegd, meteen opzij! Dit is een eerste praktische toepassing
van het groeiende besef van ruimte ('voor' en 'achter') én het
groeiende besef van tijd
('eerst dit pakken, dan dat'). Verdwijnt iets of iemand, dan wordt het
teruggezocht. Het kind gaat zich hechten aan vertrouwde personen, maar -daarmee
gepaard gaande- ontstaat angst wanneer het vertrouwde verdwijnt en niet lijkt
terug te komen. In deze fase van regelmaatherkenning is een nieuwkomer
plotseling een vreemdeling. De tijd is dus rijp voor een favoriet voorwerp,
een constante veilige haven, de 'kroel' genoemd: bijvoorbeeld een spuwlap,
een knuffel, de moederborst.
Doordat regelmaat herkend wordt, wordt de eerste humor
geboren. Er ontstaat (gezamenlijke) beleving van lol en humor,
zoals kiekeboe-spelletjes.
Humor is immers gebaseerd op het doorbreken van een vast verband, en sommige
verbanden zoals een verdwijnende en weer verschijnende moeder snapt een kind
nu.
Het spreken is een regelmatig en aangepast brabbelen. Het diffuse gebrabbel van de vorige fase
neemt gestaag af, we horen nu meer en meer klanken met
een duidelijk begin en einde, mama,
papa, tata enz. We horen lettergrepen! Bij het maken van geluid beweegt
het kind ook niet meer zo druk met zijn hele lichaam; het heeft nu "gevonden
waar zijn stem zit"! Het kind hoort en herkent nu ook
vaste klanken als -bal-.
Het reageert en kijkt naar de bal wanneer een volwassene "bal" zegt, maar
het doet dat ook wanneer deze het woord "ballade" uitspreekt. Klanken worden nagebootst
voorzover die klanken in het eigen klankrepertoire voorkomen; het daarbuiten
treden gebeurt pas in Fase V.
(gemiddeld bij leeftijd van 12 tot
15 maanden) Vooral de ontdekking dat
je
dingen in de omgeving gedaan kunt krijgen zonder fysiek contact is
in deze fase belangrijk:
het kind ontdekt het contact maken met één
punt in de omgeving via aandacht. Het begint te wijzen, ook al doet het dit
om het wijzen zelf (het zogenaamde egocentrisch wijzen)
en niet om iemand op iets te attenderen, zoals in de volgende fase.
Contact via aandacht bewerkstelligt ook dat het kind nu in staat is om -behalve boeken
te besabbelen en te verscheuren-
de plaatjes te waarderen die in die boeken staan (een kleine verhaallijn volgen kan het
kind pas vanaf Fase IX)!
Een tweede belangrijke ontdekking in deze
fase is het variëren op regelmaat: trommelde het kind in Fase IV nog geregeld
op een emmer, nu slaat het op alles wat in de
buurt is en het doet dat bovendien nu eens hard, en daarna weer zacht. De
neiging tot variëren op regelmaat is eveneens zichtbaar in de drang
om (ondersteund)
te gaan staan en
(geleid)
te gaan lopen,
en in het verlangen om kastjes te openen, gordijnen
open te schuiven en deksels op te tillen.
In het spreken vallen twee zaken op:
N.B.
Ook de volwassenen bereiken hiermee een nieuw stadium in hun groei als
opvoeder. Zij kunnen nu niet alleen hun stem gebruiken om communicatie aan
te gaan, hun simpele aanduiding van zaken in de omgeving wordt door het jonge kind
opgepakt en in zijn eenvoudigste vorm begrepen!
Leuk in deze en de volgende
fase is de 'Eendjesproef': hierbij verdwijnt het kleine mooie eendje onder een blauwe doek, met daaronder
onopvallend nog een kleinere rode doek. In feite verstop je voor de ogen van
het kind dat gele eendje onder een blauwe doek én een rode doek. Het kind komt naar
voren, tilt de blauwe doek
op en ziet vervolgens een rode doek, geen eendje. In deze fase zal het kind dan stoppen met zoeken. Het
beschikt nog niet over 'Objectpermanentie'.
Fase VI -
verbindingen
HET PSYCHOLOGISCHE EMBRYO
(gemiddeld bij leeftijd van 15 tot
18 maanden)
Al groeiende wordt het kind steeds wijzer.
Kon het kind in Fase V slechts aandacht
hebben voor één punt in zijn omgeving (bijv. wijzen), vanaf ongeveer 15
maanden kan het twee van die punten in de directe omgeving aandacht geven
en met elkaar verbinden. Het wijst nu iets aan (punt 1), ook met de bedoeling een
ander (punt 2) daarop te attenderen (sociaal wijzen). Bovendien begrijpt het nu wat anderen aanwijzen!
Op het gebied van zelfkennis vallen 3 dingen op:
En inderdaad ja, lópen, want dat kan het kind nu ook zónder geleiding
in de buitenwereld!
En omdat het kind zijn evenwichtszin in voldoende mate onder controle
heeft gekregen, kan het vanaf nu ook blokken stapelen tot
een toren. Kortom: los lopen = torens bouwen!
Met het groeiende vermogen om de
aandacht vast te houden, vermoedt en onderzoekt het kind zich een weg in de
buitenwereld, wat resulteert in 'probeerhandelingen'.
N.B. Stel je eens voor hoeveel
sneller de verwerking van al die indrukken moet plaatsvinden in dat
kinderhoofd, gezien het feit dat het kind onze volle en snelle wereld nu
zelf binnenstapt met steeds grotere loopsnelheid en behendigheid!
In deze fase zit het kind halverwege de psychologische
geboorte (zie Tabel A).
In de Eendjesproef
(zie vorige fase) wordt nu behalve de blauwe doek ook de
rode doek opgetild en kijk: dáár is het eendje! We spreken in deze fase
in termen van Piaget over
'Objectpermanentie': het object wordt een 'voortbestaan' toegekend en het kind
zoekt nu ook door naar het 'verdwenen' object, zelfs al het die verdwijning
niet zelf heeft waargenomen.
In deze fase kan het kind
ook het
boek met de mooie plaatjes zelfstandig openmaken, zonder zichzelf
daarbij te hinderen: ogen, oren, evenwicht en spieren werken goed samen.
Maar
ons wonderkind probeert nog wel zijn sloffen uit te trekken terwijl het ze aan
heeft en erop staat (Baron von Münchhausen-effect)! Dat komt omdat het kind nog geen mentaal beeld van zichzelf heeft,
nog geen mentaal beeld van zijn of haar eigen lichaam. Dat komt pas in de volgende
fase.
We staan aan de vooravond van een reusachtige
omwenteling: de overgang van klank- naar taalontwikkeling.
(gemiddeld bij leeftijd van 18 tot
22 maanden)
Na 18 maanden, anderhalf jaar oud, spelen zich
in het hoofd van ons mensenkind de eerste denkconstructies af.
Berustten betekenissen en
begrip in Fase II tot en met Fase VI louter op waarnemingen en handelingen,
vanaf nu berusten zij
nog steeds op
waarnemingen en handelingen, maar komen er ook mentale beelden
bij.
Symboliek en uitgesteld imiteren doen hun intrede en dat heeft
kolossale gevolgen voor het kind en zijn sociale omgeving.
N.B.
De
aard van het contact met de omgeving kent tot
aan de derde verjaardag 5 verschillende 'vormen'.
Eerst is het contact nog nihil, daarna eenvoudig, maar gaandeweg wordt de wisselwerking met de
omgeving steeds veelzijdiger, intenser en ingewikkelder: Deze
psychologische groei is gebaseerd op de ontwikkeling van het lichaam, in
eerste instantie vooral doordat de uitlopers van de hersencellen steeds
verder reiken en er steeds meer uitlopers ontstaan die verbindingen aanleggen tussen diverse
hersencentra. Kijken we nu even terug op de reeds doorlopen fasen, dan wordt de volgende tendens zichtbaar: vanuit het Passieve Contact uit Fase I, via het Fysieke Contact uit Fase III en het AandachtsContact uit Fase V zijn we in Fase VII bij een contactvorm aangekomen die veel abstracter van aard is: de wereld van mentale beelden. Die vorm is als DenkContact te bestempelen.
Ter verduidelijking van het begrip 'mentaal
beeld' geeft Vervaet een voorbeeld:
Stond in Fase V het woord 'woef' of 'waf' als gebonden taalteken nog voor hond (een hond zegt immers "woef/waf"), een arbitrair taalteken als 'hond' (in feite een symbool) wordt in Fase VII dankzij het denkvermogen een aantrekkelijk alternatief voor hond. En de uitdrukking 'hond' zal het op de duur gaan winnen van 'woef' en 'waf'! Elke dag komen er nu een paar nieuwe woorden bij! De hoeveelheid groeit nu soepel en snel: hoor hier de woordenschatexplosie. Het klankgebruik is nu daadwerkelijk taalgebruik geworden. N.B. Ook de volwassenen bereiken hiermee wederom een hoger stadium in hun groei als opvoeder. Hun stemgebruik en hun aanduiding van zaken in de omgeving wordt steeds beter door het jonge kind opgepakt en in steeds abstractere vorm begrepen!
Symboliek is ook terug te vinden in het gedrag van het kind, zoals in het ja-knikken, het nee-schudden en het bewust zwaaien bij een afscheid. Het kind leert nu direct door observatie van andermans gedrag.
Het kind heeft nu ook een ruimtelijk mentaal beeld van zichzelf. Net als in Fase VI handelt het adequaat in drie dimensies -lopen!- maar nu in Fase VII verdisconteert het zichzelf en zijn lichaam ook in de ruimte. Vandaar dat het die sloffen uit Fase VI uittrekt door éérst te gaan zitten: de tijd van Baron von Münchhausen zit er al weer op. Het kind ziet zichzelf als het ware in de ruimte bezig, en het herkent zichzelf dan ook in de spiegel. Maar wonderlijk... het geeft zichzelf nog geen naam! Dat gebeurt pas in de volgende fase.
Fase VIII - verzamelingen DE EERSTE VERZAMELINGEN
(gemiddeld bij leeftijd van 22 tot 26 maanden)
Na 22 maanden begint het kind twee ruimtelijke mentale beelden aan elkaar koppelen en ervaart het zichzelf als een wezen (ruimtelijk beeld 1) met een naam (ruimtelijk beeld 2). Het gebruikt die naam dan ook voor en over zichzelf. Het ziet zichzelf én anderen als exemplaren van een verzameling waarvan ze op een bepaald ogenblik deel van uit maken. Het kind begint te tellen ("1.. 2... 8... 5...") en bezigt verzamelingwoorden als "ook", "nog", "samen" en "mee". Het zegt niet meer "Wim... lopen.", maar "Wim lopen." (gebonden zin). In feite kan het kind soepeler associëren, begrijpen dat "jas" en "aandoen" bij elkaar horen, en zeggen: "hond (doet) woef". Het kan twee toestanden vergelijken en een toestandsverandering opmerken: de eerste mogelijkheden tot zindelijkheid dienen zich hierdoor aan.
Dit nieuwe inzicht brengt veel nieuw spelletjes met zich mee: iets leuks wordt eindeloos herhaald. De betekenis van een volwassen "Laatste keer" wordt echter nog niet begrepen: het kind leeft nog altijd in het "eeuwige heden".
Drie sociale vermogens komen er in deze periode voor het eerst naar voren: voor het eerst stelt het kind vragen om ook daadwerkelijk antwoord te krijgen, het gebruikt vocatieven ('mama, lezen!'), en het is in staat tot het symboliseren van een gezamenlijke zin ("Ook teevee (kijken)") of tegenzin ("Mag niet", bijvoorbeeld tegen jonger broertje).
Fase IX - representeren DE EERSTE GRAMMATICAAL JUISTE ZINNEN
(gemiddeld bij leeftijd van 26 tot 31 maanden)
Vanaf Fase V is het kind al in staat tot aandachtscontact. Zijn vermogen tot het maken van één mentaal beeld, en verzamelingen daarvan, is gebaseerd op dat vermogen tot contact met de omgeving via directe aandacht. In Fase IX, na ongeveer 26 maanden, komen de mentale beelden los van aandachtscontact. Het recente verleden wordt een actuele speler in het bewustzijn van het kind en hij of zij kan nu spontaan en uit zichzelf 'vertellen' wat hij of zij de afgelopen middag heeft meegemaakt! Dit proces, het "weer tegenwoordig maken van gebeurtenissen die geweest zijn", heet representeren. Dat kan het kind in Fase IX voor het eerst, en wél betrekking tot 1 contact in de tijd, de recent verleden tijd.
N.B. Laten we onze aandacht weer even richten op de kenmerken van de oneven fasen en hun benamingen als 'Contact': Fase I - Passief Contact; Fase III - Fysiek Contact; Fase V - Aandachtscontact. Fase VII - 'Denkcontact' . In deze negende fase zien we het vermogen om te representeren: een verder ontwikkelde vorm van denkcontact met het verleden als duidelijke tijdsfactor. Dit zou ook Rapporterend Contact kunnen heten.
Verhaallijnen worden nu opgepakt en het meezingen van liedjes komt tot bloei (muziek is voor de meeste kinderen al vanaf Fase III een prettige ervaring, waarbij vooral melodieën en ritmes duidelijk effect hebben).
Het kind kan iets van zijn innerlijke gesteldheid weergeven (ik wil, ik moet...). Beurtgedrag -op je beurt wachten- lukt echter nog niet, maar de betekenis van moeders "laatste keer" wordt nu begrepen. Een verbod of gebod begrijpen en uitvoeren zit er ook nog niet in, want het bestaan van een toekomst waarin zo'n verbod/gebod tot uitdrukking moet komen, die toekomst speelt in het leven van onze jongeling nog geen enkele rol. Dat ontstaat pas in de volgende fase.
Het ziet zichzelf én anderen
nu niet meer als exemplaren van een
verzameling, zoals in Fase VIII, maar als wezens met een
eigen individualiteit. In het taalgebruik wordt dat bijvoorbeeld hoorbaar
doordat een bepaalde toren nu niet meer als "toren" wordt aangeduid maar als
"een toren".
Zo ontstaan in de taalontwikkeling
binnen deze fase de eerste grammaticaal correcte zinnen, die nog enkelvoudig
van aard zijn ("jij moet komen" en "ik bouw deze toren" en "deze toren is voor jou"). Denken gebeurt nog in
rechte lijnen van A naar B.
De
woordvolgorde verandert en verbetert met de dag.
(In
een e-mail d.d. 170304 verduidelijkt Vervaet dit lidwoordgebruik op een
interessante manier:
"...
Het kind gebruikt in deze fase het lidwoord 'de' op juiste wijze, zoals in
"de stoel", maar ook op onjuiste wijze zoals in "de water"'. Maar dan nog
verdient het aanbeveling te stellen dat het kind het lidwoord 'het' nog
niet bezigt. (De lezer zou tot de veronderstelling kunnen komen dat er ook
kinderen zijn die van elk zelfstandig naamwoord een het-woord maken; dus 'het
stoel', 'het water', 'het schoen'. Van zulke kinderen heb ik echter nog
niet gehoord en volgens mij bestaan ze ook niet.)"
Het werkwoord "hebben"
wordt vanaf nu ook gebruikt als hulpwerkwoord
(N.B. grammatica: onvoltooid verleden tijd).
Verkleinwoorden verschijnen in het taalgebruik, net als
de toepassing van
enkelvoud- en meervoudvormen. Het kind leert dat de uitgang '-en' van
schoenen betekent dat er afzonderlijke schoenen bij elkaar bedoeld worden,
ook al heeft het niet gezien dat schoenen bij elkaar gezet worden. Het kind
is nu ook in staat tot de eerste (correcte) toepassingen van persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij),
voorzetsels (in, op), modale
hulpwerkwoorden (willen, kunnen), bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden en
vraagwoorden.
Het kind leert nu ook voor het eerst de kleuren met hun
bijbehorende namen. Rode en gele -door elkaar liggende- voorwerpen sorteren
naar kleur lukt nu echter nog niet.
Fase X -
coördinaties
DE PSYCHOLOGISCHE GEBOORTE
(gemiddeld bij leeftijd van 31 tot
36 maanden)
Wanneer het kind
in Fase IX representeert, maakt het (mentaal) contact met 1 punt in de
tijd, namelijk met een moment in het recente verleden. Vanaf nu, Fase X,
kan het contact maken met minimaal 2 punten! In deze
fase verbindt het kind 2 zaken die het niet
kan waarnemen met elkaar.
Anders gezegd: het kind kan
in deze fase twee representaties coördineren. Dat heeft 3 belangrijke
gevolgen:
Het vermogen om te sorteren
ontstaat: de rode
en gele -door elkaar liggende- voorwerpen uit Fase IX worden opgepakt en
correct geselecteerd en geordend op kleur.
Het tijdbesef dijt uit tot een besef van
recent verleden én nabije toekomst.
Het kind
wordt in psychologische zin geboren: het begint zichzelf
een identiteit toe te kennen, een materieel
onwaarneembaar en dus mentaal geconstrueerde identiteit, ongeveer als volgt: "ik ben
dezelfde als die ik kortgeleden was en als die ik binnenkort zal zijn". En
tegelijkertijd erkent het kind ook het bestaan van andere identiteiten!
En daar blijft het niet bij: er ontstaan
zelfs imaginaire wezens in de wereld van
het kind!
Ook in de taal wordt de
coördinaties van 2 representaties zichtbaar. De enkelvoudige zinnen "Ik
bouw toren." en "Toren is voor jou." groeit uit tot de
grammaticaal correcte, samengestelde zin: "Ik bouw deze toren voor jou.".
Behalve het lidwoord 'de' gebruikt het kind
vanaf nu ook het lidwood 'het': het zegt vanaf nu niet meer "de water",
zoals in Fase IX, maar het grammaticaal correcte 'het water'.
Het kind heeft nu "gevoel voor" een gezamenlijke
innerlijke gesteldheid (meeleven) en er verschijnt een
eerste begrip van gebod en verbod (driehoeksdenken met
twee innerlijke gesteldheden) en het respecteren
ervan.
Het mensenkind kan vanaf een leeftijd van
31 maanden op zijn beurt wachten!
Hoofdstuk 3
Een
overzicht in tabelvorm van de groei in zelfervaring en zelfkennis in de tien
fasen, en van andere bijzonderheden; overzicht van de relevante proefjes in
de tien fasen
N.B. Ewald
Vervaet maakt in dit boek onderscheid tussen zelfervaring en zelfkennis, en
dat onderscheid is niet altijd eenvoudig.
(In een e-mail d.d. 140304 gaat Vervaet dieper in op wat hij onder zelfervaring verstaat - "het moeilijkste begrip van de verschillende domeinen in ons psychologisch functioneren" - en geeft hij diverse voorbeelden van zelfervaring ná het derde levensjaar:
"...
Op dit moment zou ik
de zelfervaring kunnen omschrijven als dat besef omtrent wat men in
lichamelijk opzicht is (bruinhuidig, blauwogig, linkshandig) en heeft (een
ziekte of gebrek, kleding), wat men in materieel en psychisch opzicht
heeft (bezittingen, politieke overtuiging, religie) en welke rollen men in
sociaal opzicht ten opzichte van wie inneemt ('vadertje' in 'vadertje en
moedertje', Nederlanderschap, man/vriend van..., docent in ... aan...,
klant bij...).
'Zelfkennis' bestaat volgens Vervaet bij het kind uit het ontvangen van impressies uit de buitenwereld en de 'gevoelsmatige reacties" erop. Zie Tabel D.
Hoofdstuk 4
Vier interessante aspecten binnen de psychologische ontwikkeling van het
kind Tot slot neem ik een aantal aspecten apart uit de ontwikkeling van een kind, namelijk:
D: het hoe en wat van
regels en verboden A: Centraal in de opvoeding: hechting versus scheidingsangst Een van de belangrijkste stappen in de psychologische ontwikkeling van een kind is de ontdekking en herkenning (in Fase IV) van regelmatigheden in de omgeving. Degenen die het kind verzorgen, verdwijnen en komen weer tevoorschijn, en kijk, daar verdwijnen ze weer uit zicht en hop, daar zijn ze weer! De verschijning van de verzorger wordt nu als prettig ervaren, en dit groeiende besef wordt de hechting genoemd. Tegelijkertijd toont de verdwijning van de verzorger de andere kant van deze medaille: een niet eerder vertoonde paniek die scheidingsangst wordt genoemd. Het is niet toevallig dat deze nieuwe 'vermogens' samenvallen met het vermogen tot kruipen.
N.B. Ook volgens de oude Boeddhistische inzichten
zijn verlangen en
angst
onlosmakelijk met elkaar verbonden, of beter uitgedrukt, twee aspecten van
één en hetzelfde fenomeen.
B: Centraal in de opvoeding: zelfvertrouwen versus faalangst Al eerder citeerden wij Vervaet: "In ontwikkelingspsychologisch opzicht bestaat zinvol opvoeden uit aansluiten bij en gebruikmaken van wat het kind gezien zijn fase kan, en aanvullen op wat het in die fase niet kan."
Tijdens zijn ontwikkeling door de fasen heen doet en zegt een kind voortdurend dingen die kwalitatief "slechter" zijn dan wat zijn ouders doen en zeggen. Het kind gaat zich dat gaandeweg de fasen steeds meer beseffen. Om de groei van het zelfvertrouwen van een kind optimaal te begeleiden, dienen ouders vol compassie te zijn in een geduldige omgeving. Begrip is vooral nodig in momenten waarin het kind onmachtig is of duidelijk tekenen vertoont van overgang en strijd (bijvoorbeeld: het 'gevaar' van stotteren in Fase X).
N.B. Heeft u wel eens gelezen over de liefdevolle methoden van communicatie gepresenteerd door Thomas Gordon? Wilt u daar iets meer van weten, klik dan hier.
C: Neuronale ontwikkeling versus psychologische ontwikkeling
(Onder Fase II las u reeds de volgende zin: Na 1 maand worden de afzonderlijke reacties van de zintuigen en de afzonderlijke motorische reflexen afgestemd op elkaar en op impulsen uit de omgeving. Deze volgorde is zowel chronologisch als logisch volgens Vervaet. In een e-mail (24 februari 2004) schrijft hij: "...de volgorde 'op elkaar en op de omgeving' is beter dan 'op de omgeving en op elkaar'. Immers, die impulsen uit de buitenwereld zijn er bij wijze van spreken de hele dag - als er al werking van uit zou gaan, dan uiteraard slechts als het kind z'n ogen open heeft (als het z'n ogen betreft), maar waarom gebeurt er dan een hele maand lang niets? Volgens mij gaat het met het staren vanaf 1 maand zo. Het kind van fase 1 vangt iets uit de buitenwereld op met z'n ogen, bijvoorbeeld een wit konijntje dat op 25 cm van hem vandaan staat. Stel dat het kind dat tafereel leuk vindt, dan zal het dat willen continueren als dat konijn op grond van motorische reflexen in de spieren rond z'n oogbollen uit beeld dreigt te raken. Om het zien van dat konijntje te kunnen continueren, zullen er dus eerst neurologische verbindingen tussen de oogbolspieren enerzijds en de netvliescellen achterin de ogen anderzijds moeten zijn, op basis waarvan het kind die spieren en cellen op elkaar zou kunnen afstemmen. Pas wanneer het dat kan, kan het ook z'n blik op dat konijntje fixeren en is er afstemming tussen hemzelf en (dat deel van) de buitenwereld. Het lijkt misschien muggezifterig, maar de omgekeerde stelling leidt regelrecht naar het empirisme (kennis zou uit de buitenwereld komen en niet van binnenuit geconstrueerd worden vanuit een interactie met de buitenwereld) en dat weer naar het positivisme.")
In de ontwikkeling van Fase II naar Fase X komen er steeds meer tussenschakels tussen wat er in de omgeving wordt waargenomen en de uiteindelijke spierbewegingen. Heel duidelijk merkbaar is dat vanaf Fase VII, wanneer denkoperaties in toenemende mate posities innemen tussen die 'binnenkomende' waarnemingen en 'uitgaande' handelingen.
D: Regels in acht houden,
verboden en geboden Ouders willen terecht dat hun kind zich wat van anderen leert aantrekken en
regels in acht leert nemen. Voor het eerste is het echter nodig dat het met
anderen kan meeleven, en voor het tweede dat het geboden en verboden
begrijpt. Daarmee doemt een groot opvoedingprobleem op, want beide vermogens
ontstaan pas in Fase X (ongeveer na 31 maanden!)
Pas in Fase IV begint de kleine te kruipen en zich zelfstandig voort te bewegen. De neiging tot verbieden ontstaat bij ouders vooral in deze fase en groeit met de steeds hogere snelheid van de dreumes tot peuter en kleuter mee. Terwijl in Fase IV ook het moment is van de o zo belangrijke hechting en de daarmee gepaard gaande angsten.
Hoe nu te handelen? Verbieden heeft vóór Fase X géén zin; als het kind de inhoud van het verbod al op dat moment begrijpt, overtreedt het dat enkele minuten later toch weer omdat het verboden niet verinnerlijkt. (Bovendien heeft het vóór Fase X nog geen besef van toekomst.) Aan de andere kant begrijpt het vanaf Fase IV wel wat een hindernis is. Daarom ervaart het kind zijn ouders in toenemende mate als lastposten wanneer ze hem de hele dag verbieden en tegenhouden. Een belangrijk onderdeel van de vereiste actie in deze omstandigheden is het nemen van voorzorgsmaatregelen. In zijn boek gaat Ewald Vervaet vanaf pagina 193 tot aan pagina 196 dieper in op die situaties waarin het treffen van voorzorgsmaatregelen absoluut niet mogelijk is.
Hoofdstuk 5 De Circuittheorie en de gehanteerde onderzoeksmethode
Over zijn methode van onderzoek schrijft Ewald Vervaet in een e-mail d.d. 5 februari 2004: Ik heb voor de periode tot een jaar of drie en drie maanden 28 kinderen gevolgd, en wel om de zes weken; zie ook het slot van hoofdstuk 13. Na de derde verjaardag heb ik de meeste van deze kinderen een poosje om de 3 of 4 maanden gezien - het gaat daarbij om ongeveer 14 eenlingen en 4 tweelingen. Tussen hun vierde verjaardag tot kort na hun zevende verjaardag heb ik met die 22 kinderen elk half jaar een onderzoekssessie gehouden. Piaget noemde z'n methode wel eens de klinische methode. Ze is ook te omschrijven als half-gestandaardiseerd en half-vrij: gestandaardiseerd naar wat men wil onderzoeken (bijvoorbeeld de knikkerproef) en naar een aantal vragen/opdrachten die beslist aan bod dienen te komen (het voordoen van de onderscheppingsreactie door mij en het kind vragen de knikker ook ergens in het knikkerspel te pakken), maar vrij wat betreft het doorpraten met het kind en doorvragen op zijn reacties: daarin dient men het kind te volgen om te proberen te begrijpen hoe het kind denkt en waarom het doet zoals het doet. Ze is dus ook interactionistisch want van doorslaggevend belang zijn niet de vooropgezette gedachtes die men wellicht over het kind heeft, maar de directe wisselwerking met het kind tijdens een bepaalde proef, opdracht of wat ook maar. Een derde manier om ze aan te duiden is genetisch-strukturalistisch. Dat wil zeggen, het onderzoeken van de samenhang in het handelen, waarnemen en denken van het kind; en het volgen van de ontstaanswijze, de genese van een bepaalde samenhang. 'Genetisch' hoort dus niet bij 'genetica' maar bij 'genese'.
Conclusie Eindelijk weer eens een diepgravend boekwerk in heldere taal over de ontwikkeling van een kinderleven. Eindelijk ook weer eens een wetenschappelijk verantwoord boek dat je kunt lezen zonder het raadplegen van een vreemdewoordenboek. Ewald Vervaet heeft met "Groeienderwijs" een raamwerk neergezet waarop wij ouders al ons huidige en toekomstige begrip van de kinderwereld kunnen enten. Eindelijk ook weer eens een fundamenteel onderzoek waarbij het wonder van de gezondheid van het kind de aandacht krijgt, in plaats van de al dan niet vermeende 'afwijkingen'! Vervaet levert met zijn werk m.i. dan ook een buitengewone bijdrage aan het begrip van en voor de wereld van het kind, ook het hedendaagse.
Behalve inzicht voor de ouders biedt dit werk ook voeding voor ontwikkelingspsychologen. In feite kan iedereen die met kleine kinderen werkt profiteren van Vervaets gedetailleerde speurwerk. Zijn bevindingen en zijn Circuit-theorie sluiten naadloos aan bij de neurologische feiten zoals we die bij Jeannette Vos en Gordon Dryden tegenkomen, zoals bij hun bevindingen:
"Eén
ding is zeker: voor je brein geldt hetzelfde als voor je spieren. Als je die
spieren niet gebruikt, verslappen ze. Als je ze niet gebruikt, gaat de
kwaliteit van miljoenen verbindingen achteruit of die verbindingen
verdwijnen. Je kunt je brein dus trainen, net als spieren"
en
"...onthoud
dat elke zenuwcel de mogelijkheid heeft om 20.000
verbindingen te hebben of te maken met andere onderdelen van het lichaam!"
Vervaets uitspraak
"In
ontwikkelingspsychologisch opzicht bestaat zinvol opvoeden uit aansluiten
bij en gebruikmaken van wat het kind gezien zijn fase kan, en aanvullen op
wat het in die fase niet kan."
sluit zelfs aan bij de
holistische visie van mystici als
Osho, die stelt:
Persoonlijk ben ik benieuwd om te zien óf en hoe traumatische ervaringen in een kinderleven en de gevolgen daarvan, zoals regressie, beter te begrijpen zijn m.b.v. dit "sjabloon". Waarom en hoe hakt een verstoring nou specifiek op het spreekvermogen in, of op de motoriek of op het sociale vlak?
Amsterdam, maart 2004
©
Tura G. Gerards / The Magical Madhouse
Klik hier voor een overzicht van de
doordenkers uit
Lees ook het vervolg op
dit boek van Ewald Vervaet:
|
|||||||